Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI4187

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2009
Datum publicatie
18-05-2009
Zaaknummer
08/593 WWB + 08/594 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand. Getrapte besluitvorming in bezwaar. De rechtbank heeft niet onderkend dat het laatste, derde besluit een besluit is in de zin van artikel 6:18 Awb. Met dit nadere besluit is niet (geheel) tegemoetgekomen. Verschillende periodes ter beoordeling. Verrichten van werkzaamheden: arbeidsverhoudingen zijn duidelijk overheerst door familieverhouding. In stand laten rechtsgevolgen. Geen wijziging van omstandigheden. Of recht op bijstand bestaat, hangt immers niet alleen af van de daadwerkelijk ontvangen inkomsten maar ook van de inkomsten die, gelet op de omvang van de werkzaamheden, redelijkerwijs hadden kunnen worden ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2009/223
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/593 WWB

08/594 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden wonende te Nijmegen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 14 december 2007, 07/2858 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: College)

Datum uitspraak: 28 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. G.J.P.C.G. Verheijen, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met dat in het geding met de reg. nrs. 07/1310 WWB en 07/1311 WWB, plaatsgevonden op 3 februari 2009. Appellanten zijn, met bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.A.M. van Gerwen, werkzaam bij de gemeente Nijmegen. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst en wordt in de onderhavige zaak heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak alsmede naar zijn uitspraak in het geding tussen partijen met de reg. nrs. 07/1310 WWB en 07/1311 WWB. De Raad volstaat met de vermelding dat bij besluit op bezwaar van 24 januari 2006 is gehandhaafd het besluit van 31 augustus 2005 waarbij de bijstand van appellanten met ingang van 13 juni 2002 is ingetrokken en de over de periode van 13 juni 2002 tot 1 april 2005 gemaakte kosten van bijstand van hen zijn teruggevorderd.

1.1. Appellanten hebben op 17 augustus 2006 een aanvraag ingediend om hen wederom een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toe te kennen.

1.2. Bij besluit van 26 oktober 2006 heeft het College met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) besloten de aanvraag niet verder te behandelen op de grond dat appellanten niet hebben voldaan aan het bij brief van 12 oktober 2006 gedane verzoek om uiterlijk op 23 oktober 2006 ontbrekende gegevens die van belang zijn voor de afhandeling van de aanvraag, in te leveren.

1.3. Bij besluit van 22 januari 2007 - voor zover van belang - heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 26 oktober 2006 gegrond verklaard. Voorts is besloten de aanvraag alsnog in behandeling te nemen en appellanten op korte termijn uit te nodigen om de ontbrekende gegevens aan te leveren.

1.4. Bij besluit van 20 maart 2007 heeft het College de aanvraag afgewezen op de grond - zakelijk weergegeven - dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in vergelijking met die waarop het besluit op bezwaar van 24 januari 2006 is gebaseerd.

1.5. Bij besluit van 4 juni 2007 is het bezwaar tegen het besluit van 20 maart 2007 ongegrond verklaard. Daarbij is de grondslag van de afwijzing gewijzigd in die zin dat appellant wordt geacht ingevolge de CAO voor het Bakkersbedrijf met ingang van 1 januari 2007 minimaal aanspraak te kunnen maken op een bruto maandloon van € 1.618,74. Omdat dit bedrag hoger is dan de voor appellanten geldende bijstandsnorm, hebben zij om die reden op en na 1 januari 2007 geen recht op bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent de proceskosten en het griffierecht, het beroep van appellanten gegrond verklaard, de besluiten van 22 januari 2007 en 20 maart 2007 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven. De rechtbank heeft daartoe in die uitspraak, waarin appellanten als eisers en het College als verweerder zijn aangeduid, het volgende overwogen:

“De rechtbank stelt vast dat verweerder het bezwaar van eisers tegen de buiten behandeling stelling van de aanvraag van 17 augustus 2006, bij besluit van 22 januari 2207, gegrond heeft verklaard en besloten heeft het verzoek van eisers alsnog inhoudelijk te behandelen.

Eerst bij besluit van 20 maart 2007 heeft verweerder beslist de aanvraag van eisers (inhoudelijk) af te wijzen vanwege het ontbreken van nieuwe feiten en omstandigheden.

De rechtbank concludeert uit deze handelwijze van verweerder dat de besluitvorming voltooid was nadat het besluit van 20 maart 2007 was genomen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat beide besluiten de beslissing op bezwaar tegen het besluit van 26 oktober 2006 vormen. Immers uit het stelsel van hoofdstuk 7 van de Awb volgt dat op het bezwaar tegen een primair besluit met één besluit wordt beslist. De door verweerder toegepaste getrapte wijze van besluitvorming met betrekking tot één primair besluit verdraagt zich niet met het bepaalde in artikel 7:11, tweede lid, van de Awb.

Hieruit volgt dat het door eisers ingediende bezwaarschrift van 4 april 2007 tegen het besluit van 20 maart 2007, door verweerder als beroepschrift had moeten worden doorgezonden naar de rechtbank.

De brief van 4 juni 2007 waarin verweerder aan eisers heeft medegedeeld het bezwaar van 4 april 2007 ongegrond te hebben verklaard, is door verweerder ten onrechte aangemerkt als een besluit op bezwaar.

Nu verweerder dit heeft miskend, komen de besluiten van 22 januari 2007, voor zover dit besluit ziet op de buiten behandeling stelling van de aanvraag en 20 maart 2007, wegens strijd met artikel 7:11 van de Awb voor vernietiging in aanmerking en dient het beroep gegrond verklaart te worden.

De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten en overweegt daartoe als volgt.

Verweerder heeft aan het besluit van 20 maart 2007 ten grondslag gelegd dat de aanvraag van 17 augustus 2006 door eisers niet op nieuwe feiten of veranderde omstandigheden is gebaseerd die zouden moeten leiden tot wijziging van het besluit van 24 januari 2006 waarbij de aan eisers toegekende uitkering vanaf 13 juni 2002 is ingetrokken.

Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep kan een aanvraag in het kader van de WWB met een latere ingangsdatum dan de eerdere beëindiging niet met toepassing van artikel 4:6 Awb worden afgewezen. Indien evenwel een lopende uitkering is beëindigd dan wel op een eerdere aanvraag afwijzend is beslist en de nieuwe aanvraag is gericht op het verkrijgen van periodieke bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de omstandigheden in die zin dat hij nu wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen (zie CRvB 15 maart 2005, JWWB 2005, 196 en CRvB 25 maart 1997, JAWB 1997, 89).

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eisers er niet in zijn geslaagd om aan te tonen dat hun omstandigheden ten tijde van het indienen van de aanvraag in relevante mate waren gewijzigd. Verweerder heeft de aanvraag derhalve terecht afgewezen.

De brief van 4 juni 2007 waarin verweerder aan eisers heeft medegedeeld dat het bezwaar tegen het besluit van 20 maart 2007 ongegrond is verklaard kan gezien het voorgaande door de rechtbank niet in de beoordeling worden betrokken.”.

3. Appellanten hebben zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ten aanzien van de besluitvorming.

4.1.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de door het College toegepaste besluitvorming naar aanleiding van het door appellanten gemaakte bezwaar tegen het besluit van 26 oktober 2006 in strijd is met hetgeen artikel 7:11 van de Awb vereist, namelijk dat met één besluit op een ingediend bezwaarschrift wordt beslist. De rechtbank heeft in dat verband terecht vastgesteld dat de besluiten van 22 januari 2007 en 20 maart 2007 tezamen de beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 26 oktober 2006 vormen en dat het bezwaarschrift tegen het besluit van 20 maart 2007 als beroepschrift naar de rechtbank had moeten worden doorgezonden. De rechtbank heeft dan ook de besluiten van 22 januari 2007 en 20 maart 2007 terecht wegens strijd met de wet vernietigd.

4.1.2. De rechtbank heeft evenwel niet onderkend dat in de gegeven omstandigheden het besluit van 4 juni 2007 is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 6:18 van de Awb waartegen het beroep van appellanten met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb geacht wordt mede te zijn gericht. De Raad zal dan ook de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover daarbij het besluit van 4 juni 2007 niet in de beoordeling is betrokken en, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, uitspraak doen inzake het beroep dat appellanten geacht worden mede te hebben ingesteld tegen het besluit van 4 juni 2007.

4.2. Ten aanzien van het geschil.

4.2.1. De Raad stelt voorop dat de door de Raad te beoordelen periode loopt van

17 augustus 2006 tot en met 20 maart 2007.

4.2.2. De periode van 17 augustus 2006 tot 1 januari 2007.

4.2.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellanten niet hebben aangetoond dat er in genoemde periode sprake is geweest van een wijziging in hun omstandigheden in die zin dat zij toen wel voldeden aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat uit het zich onder de stukken bevindende formulier “Evaluatie CWI” en ook uit de overige gedingstukken naar voren komt dat appellante in bedoelde periode nog steeds om niet werkzaamheden verrichtte in de bakkerij van haar schoonzoon, terwijl ook appellant meer uren werkte dan contractueel was overeengekomen zonder daarvoor ten volle te worden beloond. Uit het vorenoverwogene volgt dat de rechtbank terecht heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten van 22 januari 2007 en 20 maart 2007 in stand blijven.

De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden bevestigd.

4.2.4. De periode van 1 januari 2007 tot en met 20 maart 2007.

4.2.5. Bij het besluit van 4 juni 2007 heeft het College het standpunt ingenomen dat appellanten per 1 januari 2007 geen aanspraak hebben op bijstand, omdat appellant gezien de CAO voor het Bakkersbedrijf aanspraak kan maken op een bruto maandloon van € 1.618,74, hetgeen meer is dan de voor appellanten geldende bijstandsnorm.

4.2.6. De Raad kan het College in dat standpunt niet volgen omdat appellanten hun werkzaamheden hebben verricht in een bakkerij die op naam van hun schoonzoon en dochter staat of heeft gestaan en de arbeidsverhoudingen duidelijk zijn overheerst door de familieverhouding. Appellante heeft haar werkzaamheden immers steeds om niet verricht, terwijl appellant steeds meer uren heeft gewerkt dan waarvoor hij werd beloond. Aldus kan niet als vaststaand worden aangenomen dat appellant aanspraak kan doen gelden op een CAO-conforme honorering. Dit betekent dat het besluit van 4 juni 2007 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb dient te worden vernietigd.

4.2.7. De vervolgens aan de orde komende vraag of er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 4 juni 2007 in stand te laten, beantwoordt de Raad bevestigend.

4.2.8. In de stukken zijn geen aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat appellanten hun werkzaamheden in de hier in geding zijnde periode, wat aard en omvang betreft, hebben gewijzigd. De Raad moet het er dan ook voor houden dat appellanten hun werkzaamheden hebben gecontinueerd. Aldus hebben appellanten niet aangetoond dat er sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat zij in de onderhavige periode wel aanspraak hadden op bijstand. Dat wordt niet anders doordat, zoals is aangevoerd, de bakkerij niet kostendekkend is geweest en moest worden gesloten. Of recht op bijstand bestaat, hangt immers niet alleen af van de daadwerkelijk ontvangen inkomsten maar ook van de inkomsten die, gelet op de omvang van de werkzaamheden, redelijkerwijs hadden kunnen worden ontvangen.

4.3. De Raad ziet, gelet op het onder 4.2.6 overwogene, aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij niet is beslist omtrent het beroep tegen het besluit van 4 juni 2007;

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten voor het overige;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 4 juni 2007 gegrond;

Vernietigt het besluit van 4 juni 2007;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 4 juni 2007 geheel in stand blijven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 322,--, te betalen door de gemeente Nijmegen;

Bepaalt dat de gemeente Nijmegen het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,-- aan appellanten vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 april 2009.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) B.E. Giesen.

NW