Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI4178

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2009
Datum publicatie
18-05-2009
Zaaknummer
08-715 WWB + 08-717 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor steunzolen en orthopedisch schoeisel. Terugwerkende kracht. Eigen bijdrage. Noodzakelijke kosten van het bestaan. Geen zeer dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/715 WWB

08/717 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant) en [appellante] (hierna: appellante), beiden wonende te Kessel,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 21 december 2007, 07/376 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: College)

Datum uitspraak: 28 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. Y. van der Linden, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld. Nadien heeft mr. H.M.J. Offermans, advocaat te Roermond, zich als gemachtigde voor appellanten gesteld en nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2009. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Offermans. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C.W.M.G. Volleberg, werkzaam bij de gemeente Venlo.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad ontleent aan de aangevallen uitspraak, waarin appellanten als eisers zijn aangeduid en het College als verweerder, de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden:

“Bij een op 19 mei 2006 door verweerder ontvangen aanvraag hebben eisers verzocht om bijzondere bijstand in verband met kosten voor orthopedisch schoeisel voor eiseres en steunzolen voor dochter [dochter van appellanten].

Bij besluit van 13 juni 2006 heeft verweerder het verzoek afgewezen.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het besluit van 13 juni 2006 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat de aanvraag voor steunzolen te laat is gedaan en geen aanleiding wordt gezien om af te wijken van het terzake geldende beleid. Dat bij een eerdere aanvraag wel bijstand is toegekend ondanks dat de aanvraag te laat was ingediend rechtvaardigt niet de verwachting dat ook bij een volgende te late aanvraag bijstand zal worden verstrekt.

Met betrekking tot het verzoek om bijzondere bijstand in verband met de kosten voor orthopedische schoenen wordt overwogen dat deze nooit volledig worden vergoed. Het wordt billijk geacht dat verzekerden die aangewezen zijn op orthopedische schoenen een vergelijkbaar bedrag in de aanschafkosten van de schoenen betalen. Deze kosten vloeien niet voort uit bijzondere (individuele) omstandigheden. De eigen bijdrage, zijnde het normbedrag voor de aanschaf van een gewoon paar schoenen, dient uit de periodieke WWB-uitkering te worden voldaan.

Verweerder merkt voorts op dat niet is gebleken van zeer dringende redenen (levensbedreigende omstandigheden) die tot bijstandsverlening zouden kunnen noodzaken.”

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit op bezwaar - gedateerd 6 februari 2007 - ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Bijzondere bijstand voor steunzolen

4.1. Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) wordt, indien door burgemeester en wethouders is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. In dit geval staat vast dat de kosten voor de steunzolen zijn gemaakt op 29 november 2005 en dat de aanvraag om bijstand in mei 2006 is gedaan, zodat de hiervoor genoemde wettelijke bepaling zich tegen verlening van bijstand voor deze kosten verzet.

4.2. Het College voert het beleid dat aanvragen om bijzondere bijstand kunnen worden ingediend tot 1 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarin de kosten zijn gemaakt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat, voor zover dit beleid inhoudt dat bijzondere bijstand met terugwerkende kracht wordt toegekend in andere gevallen dan waarin dat door bijzondere omstandigheden wordt gerechtvaardigd, dit beleid moet worden gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid, hetgeen betekent dat de aanwezigheid en de toepassing van het beleid als gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast.

4.3. Het besluit om in dit geval geen bijzondere bijstand toe te kennen is, zo volgt uit de onderdelen 4.1 en 4.2, genomen in overeenstemming met het beleid. Appellanten hebben er op gewezen dat het College bij een andere aanvraag van hen om bijzondere bijstand van het beleid is afgeweken. Anders dan appellanten stellen, kan deze eenmalige afwijking niet worden gekenschetst als een afwijkende gedragslijn. Voor het overige is gesteld noch gebleken dat het College het beleid ten tijde in geding niet op consistente wijze toepaste.

4.4. Appellanten hebben verder aangevoerd dat dit beleid hen niet mag worden tegengeworpen, omdat voor hen in de hier van belang zijnde periode het verbod gold om buiten een speciaal daarvoor aangewezen ambtenaar met medewerkers van de gemeente contact te hebben, zij tot eind maart 2006 door omstandigheden geen contactambtenaar hadden, zij van een contactambtenaar afhankelijk waren en zelf geen aanvraag konden indienen. Deze beroepsgrond treft naar het oordeel van de Raad geen doel. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij niet, met behulp van de voor hen tot medio december 2005 feitelijk beschikbare contactambtenaar dan wel zelf, tijdig een schriftelijke aanvraag om bijzondere bijstand voor deze kosten - die al in november 2005 zijn betaald - hadden kunnen indienen. De Raad betrekt hierbij dat de vertegenwoordig-ster van het College ter zitting van de Raad onweersproken heeft meegedeeld dat aan appellanten in januari 2006 op hun telefonisch verzoek een aanvraagformulier voor bijzondere bijstand is toegezonden.

Bijzondere bijstand voor orthopedisch schoeisel

4.5. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.6. Het gaat hier om het voor rekening van appellante blijvende gedeelte van de kosten voor aanschaf van orthopedische schoenen, nu de overige kosten worden gedekt door de ziektekostenverzekering. Achtergrond van de eigen bijdrage is dat degene die is aangewezen op orthopedisch schoeisel in de situatie waarin dat niet het geval zou zijn geweest, gewone schoenen had moeten kopen. Het bedrag van de eigen bijdrage is dan ook gelijk aan een gehanteerd normbedrag voor de aanschaf van een paar (gewone, niet aangepaste) schoenen.

4.7. Niet in geschil is dat de onderhavige kosten zijn te beschouwen als noodzakelijke kosten van het bestaan. Gelet op hetgeen onder 4.6. is overwogen, heeft het College zich evenwel terecht op het standpunt gesteld dat deze kosten niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB.

Zeer dringende redenen

4.8. Het voorgaande brengt mee dat appellanten geen recht hadden op bijzondere bijstand voor de in geding zijnde kosten. De Raad kan zich verenigen met het oordeel van de rechtbank - en met de gronden waarop dat oordeel rust - dat in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen zeer dringende reden in de zin van artikel 16 van de WWB kan worden gevonden om aan appellanten - niettemin - de gevraagde bijzondere bijstand te verlenen. Het beroep dat appellanten hebben gedaan op de omstandigheid dat sprake is van een cumulatie van kosten, op hun slechte financiële situatie en op hun medische omstandigheden levert geen acute noodsituatie op als vereist voor toepassing van deze bepaling.

Slotoverwegingen

4.9. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter, en C. van Viegen en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 april 2009.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns

(get.) B.E. Giesen

NW