Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI4174

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2009
Datum publicatie
19-05-2009
Zaaknummer
07-5362 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Bij aanvang van de bijstandverlening beschikte appellant over een vermogen dat boven het vrij te laten vermogen lag, zodat hij geen recht op bijstand had. Schending inlichtingenverplichting door van de genoemde bankrekeningen geen melding te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5362 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 27 juli 2007, 06/1378 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 12 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Wiersma, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wiersma. Het College heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant ontving vanaf 19 november 2002 bijstand naar de norm van een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.3. Naar aanleiding van informatie van de belastingdienst waaruit bleek dat appellant naast de bij het College bekende rekening bij de Postbank met nummer [bankrekening nummer A] ook nog beschikte over een rekening bij de Postbank met nummer [bankrekening nummer B] en een rekening bij de ABN AMRO bank met nummer [bankrekening nummer C] - waarop per 19 november 2002 bedragen stonden van € 5.254,23, € 4.490,05 respectievelijk € 14.345,15 - heeft het College een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte bijstand. Het College heeft uit de bevindingen van dat onderzoek de conclusie getrokken dat appellant bij aanvang van de bijstandverlening beschikte over een vermogen dat € 18.489,40 boven het vrij te laten vermogen lag, zodat hij geen recht op bijstand had. Tevens is geconstateerd dat appellant, door van de genoemde bankrekeningen geen melding te maken, daarover onjuiste en onvolledige inlichtingen heeft verstrekt aan het College.

1.4. De onderzoekresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van

7 maart 2006 de bijstand van appellant over de periode van 19 november 2002 tot en met 28 september 2004 in te trekken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 22.762,79 van hem terug te vorderen. Bij besluit van 25 augustus 2006 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 maart 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

25 augustus 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Niet in geding is dat appellant houder was van de in 1.3 genoemde drie bankrekeningen en dat daarop op 19 november 2002 de genoemde bedragen stonden. Appellant stelt zich op het standpunt dat tegenover de positieve vermogensbestanddelen, bestaande uit de tegoeden op deze rekeningen, destijds een schuld stond, bestaande uit het bedrag van FF 150.000,-- (€ 22.867,35) dat hij in 2000 van zijn vader heeft geleend, zodat zijn vermogen bij aanvang van de bijstandverlening niet hoger was dan het vrij te laten bescheiden vermogen van € 4.820,--. Ten bewijze van die lening heeft appellant in de loop van de bezwaarprocedure en de procedure in eerste aanleg een drietal daartoe strekkende verklaringen van zijn vader overgelegd en in hoger beroep een notariële verklaring van 3 september 2007.

4.2. Naar vaste rechtspraak kunnen schulden bij de vermogensvaststelling uitsluitend in aanmerking worden genomen indien het feitelijk bestaan ervan in voldoende mate aannemelijk is gemaakt en tevens komt vast te staan dat aan die schuld ook daadwerkelijk een terugbetalingsverplichting is verbonden. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat appellant met de overgelegde verklaringen van zijn vader, waarvan twee gedateerd zijn op 3 juni 2000 en de derde op 30 juni 2000, er niet in geslaagd is het bestaan van de schuld aannemelijk te maken. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant geen overtuigende verklaring gegeven waarom de ene verklaring van 3 juni 2000 een termijn van terugbetaling vermeldt en de andere verklaring van dezelfde datum niet en om welke reden op 30 juni 2000 de derde verklaring is opgesteld. Daarbij merkt de Raad dat geen bewijs in de vorm van een bankafschrift voorhanden is dat de som van FF 150.000,-- is opgenomen van de bankrekening in Frankrijk door appellants vader of door appellant met machtiging van zijn vader. De Raad is van oordeel dat ook met de in hoger beroep overgelegde notariële akte het bestaan van een schuld, waaraan een terugbetalingsverplichting is verbonden, niet is aangetoond. Voor zover al kan worden aangenomen dat de Nederlandse ambassade in Algiers de handtekening van de notaris heeft gelegaliseerd, zoals appellant stelt, betekent dit niet dat de inhoud van verklaring op zijn juistheid is beoordeeld. Daarbij merkt de Raad nog op dat uit de notariële akte valt op te maken dat het geld op 3 juni 2000 is opgenomen van rekening [rekenning nummer] bij La Post - Bureau de Paris Crozatier, terwijl in de verklaring van 30 juni 2000 melding wordt gemaakt van geldopname op 15 juni 2000 van een rekening met hetzelfde nummer bij de bank Credit lyonnais en France.

4.3. Door bij het College geen melding te maken van deze bankrekeningen heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Nu die schending ertoe heeft geleid dat aan appellant over de hier in geding zijnde periode ten onrechte bijstand is verleend, was het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand over die periode in te trekken en op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB tot terugvordering van het hiervoor vermelde bedrag over te gaan. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met de door hem ter zake van intrekking en terugvordering gehanteerde beleidsregels. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, van die beleidsregels had moeten afwijken.

4.4. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.F. Bandringa en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2009.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) B.E. Giesen.

IAa