Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI4170

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
19-05-2009
Zaaknummer
07-5269 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Lunchkostenvergoeding. Met de door appellant gedane aankopen bij de NS-kiosk is voldaan aan het gestelde in artikel 5 van de Reisregeling binnenland, inhoudend dat sprake moet zijn van een lunch, en dat voor het verkrijgen van de verstrekkingen kosten zijn gemaakt in een daarvoor bestemde gelegenheid. Voor de stelling, dat de gedane uitgaven te gering zijn om voor vergoeding als lunch in aanmerking te komen, is geen grond; de regeling kent immers geen minimumbedrag. De Raad volgt evenmin de opvatting van gedeputeerde staten, dat een lunch, om voor vergoeding in aanmerking te komen, in ieder geval het bedrag van de normaal op de eigen werkplek gemaakte lunchkosten te boven dient te gaan. 2) Reiskostenvergoeding. Als appellant vanwege privé-redenen heen en/of terug via een omweg wilde reizen, dienen de meerkosten van deze langere reisweg voor diens eigen rekening te blijven. Appellant heeft met een beroep op het privé-karakter van de desbetreffende reisgedeelten geweigerd gegevens te leveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5269 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 31 juli 2007, 07/263 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe (hierna: gedeputeerde staten)

Datum uitspraak: 29 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Gedeputeerde staten hebben een verweerschrift ingediend, waarop appellant heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het geding met het nummer 08/2069 AW, plaatsgevonden op 19 maart 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn partner A. Agus. Gedeputeerde staten hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. C.C. Oberman, advocaat te Amsterdam, en door ing. S.J. Geerling, werkzaam bij de provincie Drenthe (hierna: provincie).

In beide zaken wordt thans afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is sinds 1994 werkzaam als ambtenaar bij de provincie, standplaats [naam standplaats]. Hij heeft in 2006 een aantal dagen werkzaamheden verricht bij de Kamer van Koop-handel in [plaat[plaatsnaam]. In verband hiermee heeft hij declaraties ingediend ter zake van door hem gemaakte reis- en verblijfkosten. Daarbij is tussen partijen discussie ontstaan over de vraag, of appellant, wanneer hij tijdens lunchtijd bij een NS-kiosk een cola light en een gevulde koek ten bedrage van € 2,80 koopt, aanspraak kan maken op vergoeding van de zogenoemde lunchcomponent ten bedrage van € 11,69. Het betreft hier in totaal 54 declaraties.

1.2. Bij besluit van 24 november 2006 hebben gedeputeerde staten de gevraagde lunchkostenvergoeding geweigerd, omdat een NS-kiosk niet als een voor de lunch bestemde (horeca)gelegenheid kan worden gezien. Wel is aan appellant voorgesteld om onverplicht de werkelijk gemaakte kosten te vergoeden op basis van de beschikbare bonnen. Voorts hebben gedeputeerde staten aan appellant gevraagd binnen veertien dagen schriftelijk te verantwoorden waarom hij op een aantal dagen niet de reiskosten heeft gedeclareerd van zijn woonplaats [woonplaats] rechtstreeks naar [plaatsnaam], maar die van [woonplaats] via [plaatsnaam A] naar [plaatsnaam] en langs dezelfde weg terug, en daarbij aan te tonen wanneer hij in het provinciehuis te [plaatsnaam A] is geweest. Dit besluit is, na bezwaar van appellant, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 9 februari 2007 (hierna: bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij het bezwaar van appellant tegen de vaststelling van de hoogte van de door hem gemaakte reiskosten ongegrond is verklaard, en aan gedeputeerde staten opgedragen in zoverre opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen. In het bijzonder is daarbij van belang de overweging van de rechtbank, dat namens gedeputeerde staten ter zitting van de rechtbank is aangegeven dat achteraf bezien en in het licht van hetgeen van de kant van appellant is aangevoerd, onvoldoende is gekeken naar de noodzaak voor appellant om via [plaatsnaam A] te reizen, en dat het bestreden besluit dus niet zorgvuldig is voorbereid.

2.1. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak hebben gedeputeerde staten bij brief van 9 augustus 2007 aan appellant verzocht aanvullende gegevens te verstrekken waaruit blijkt dat hij op de desbetreffende dagen via [plaatsnaam A] was gereisd en dat hiertoe een zakelijke noodzaak bestond. Ter zitting van de Raad is gebleken dat appellant ondanks herhaald rappel niet aan dit verzoek heeft voldaan; hij heeft verklaard hieraan ook niet te zullen voldoen, omdat hij geen verantwoording over zijn privé-reizen wil afleggen.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad het volgende.

3.1. De lunchkostenvergoeding

3.1.1. Ingevolge artikel 1 van het Reiskostenbesluit provincie Drenthe vinden het Reisbesluit binnenland en de Reisregeling binnenland zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vergoeding van reis- en verblijfkosten terzake van dienstreizen. Uit deze regelingen volgt - kort samengevat - dat om voor vergoeding van de lunchcomponent in aanmerking te komen, een declaratie moet voldoen aan een aantal eisen.

3.1.2. Tussen partijen is niet in geschil dat aan de in genoemde regelingen gestelde eisen in zoverre wordt voldaan, dat sprake was van dienstreizen van ten minste vier uur, dat de tijd tussen 12:00 en 14:00 uur geheel binnen de dienstreizen viel, dat er voor appellant in [plaatsnaam] geen gelegenheid was om een maaltijd van overheidswege te ontvangen, en dat appellant daadwerkelijk tijdens lunchtijd de uit de bonnen blijkende aankopen heeft gedaan. Partijen zijn met name verdeeld over de vraag, of met de door appellant gedane aankopen bij de NS-kiosk is voldaan aan het gestelde in artikel 5 van de Reisregeling binnenland, inhoudend dat sprake moet zijn van een lunch, en dat voor het verkrijgen van de verstrekkingen kosten zijn gemaakt in een daarvoor bestemde gelegenheid. Gedeputeerde staten hebben - daarin bevestigd door de rechtbank - gesteld, dat de door appellant gedeclareerde kosten voor een cola light en een gevulde koek, gelet op de aard en de prijs van de producten, geacht moeten worden reeds te zijn gedekt door de zogenoemde dagcomponent ad € 3,71, die immers juist bedoeld is voor kleine uitgaven overdag. Van een lunch, waarbij kosten zijn gemaakt in een daartoe bestemde gelegenheid, zou geen sprake zijn.

Appellant heeft hiertegenover gesteld, dat dit nu eenmaal zijn eetgewoonte tussen de middag is, dat onduidelijk is gebleven welke criteria gedeputeerde staten precies hanteren bij het bepalen of van een lunch sprake is, en dat bij andere ambtenaren vergelijkbare declaraties wel met een lunchvergoeding zijn gehonoreerd.

3.1.3. De Raad stelt vast dat appellant voor het doen van deze aankopen tijdens lunchtijd het gebouw van de Kamer van Koophandel verliet, omdat daar geen lunchgelegenheid was, dat hij de NS-kiosk bezocht, omdat deze dichtbij gelegen was, en dat deze kiosk was ingericht als eetgelegenheid. Voorts is niet weersproken dat appellant bedoelde aankopen consumeerde bij wijze van lunch. Van een nadere omschrijving van wat voor toepassing van de lunchcomponent onder lunch moet worden verstaan is de Raad niet gebleken. Niet weersproken is dat in andere gevallen bij het vergoeden van lunchdeclaraties door de provincie niet nauw wordt gelet op hetgeen is geconsumeerd. De Raad ziet voorts geen grond voor de stelling, dat de gedane uitgaven te gering zijn om voor vergoeding als lunch in aanmerking te komen; de regeling kent immers geen minimumbedrag. De Raad volgt evenmin de opvatting van gedeputeerde staten, dat een lunch, om voor vergoeding in aanmerking te komen, in ieder geval het bedrag van de normaal op de eigen werkplek gemaakte lunchkosten te boven dient te gaan. Voor deze opvatting biedt de toelichting op artikel 13 van het Reisbesluit binnenland, waarnaar de rechtbank heeft verwezen, naar het oordeel van de Raad onvoldoende steun.

3.1.4. Gelet op al het vorenstaande is naar het oordeel van de Raad in het geval van appellant voldaan aan de vereisten voor de lunchcomponent. Dit leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit in zoverre geen stand kan houden en voor vernietiging in aanmerking komt, en dat ook de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten, in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt.

3.2. De reiskostenvergoeding

3.2.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat gedeputeerde staten op goede gronden hebben kunnen stellen dat appellant de noodzaak van het reizen via [plaatsnaam A] dient aan te tonen, indien hij aanspraak wenst te maken voor het traject [plaatsnaam A]-[plaatsnaam] (vv). Gedeputeerde staten hebben in dit verband terecht gewezen op het vereiste van noodzakelijkheid, dat blijkt uit de omschrijving die het Reisbesluit binnenland in artikel 2, aanhef en onder e, geeft van het begrip dienstreis: “een naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijke verplaatsing van een betrokkene tot het verrichten van dienst buiten de plaats van tewerkstelling, alsmede het hiermee verband houdend verblijf buiten deze plaats”. Nu bij het door appellant gekozen traject over [plaatsnaam A] aanzienlijk meer kilometers als dienstreis kunnen worden gedeclareerd dan bij een rechtstreekse reis van [woonplaats] naar [plaatsnaam], mochten gedeputeerde staten zonder meer verlangen dat de (dienst)noodzaak van het maken van een omweg over [plaatsnaam A] werd aangetoond. Gedeputeerde staten hebben zich met juistheid op het standpunt gesteld, dat als appellant vanwege privé-redenen heen en/of terug over [plaatsnaam A] wilde reizen, de meerkosten van deze langere reisweg voor diens eigen rekening dienden te blijven.

3.2.2. De Raad stelt vervolgens vast, dat gedeputeerde staten ter uitvoering van de aangevallen uitspraak meermalen vergeefs hebben getracht van appellant gegevens te verkrijgen om tot een nieuw, beter gefundeerd, besluit op bezwaar te komen, maar dat appellant met een beroep op het privé-karakter van de desbetreffende reisgedeelten heeft geweigerd deze gegevens te leveren. Dit standpunt heeft hij ter zitting van de Raad herhaald. Gelet op deze houding van appellant acht de Raad het geraden met het oog op een finale beslechting van het geschil met toepassing van artikel 8:74, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien en, het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit wat betreft de reiskosten ongegrond te verklaren. Omdat het vorenoverwogene leidt tot een niet in onbelangrijke mate andersluidend dictum dan in de aangevallen uitspraak is verwoord, geeft de Raad er, mede uit een oogpunt van duidelijkheid, de voorkeur aan de aangevallen uitspraak in haar geheel te vernietigen.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding gedeputeerde staten op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 33,30 aan reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 9 februari 2007 gegrond, voor zover daarbij is beslist over de door appellant gedeclareerde lunchkosten, en vernietigt dat besluit in zoverre;

Bepaalt dat gedeputeerde staten wat betreft de lunchkosten een nieuw besluit op bezwaar nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 9 februari 2007 voor zover daarbij is beslist over de reiskosten, ongegrond;

Veroordeelt gedeputeerde staten in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 33,30, te betalen door de provincie Drenthe;

Bepaalt dat de provincie Drenthe aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 214,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K.J. Kraan en A.J. Schaap als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 april 2009.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) M. Lammerse.

HD