Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI4162

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
19-05-2009
Zaaknummer
06-4808 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vatstelling vervolgdagloon WAO. Het Uwv stelt zich terecht op het standpunt dat de periode van therapeutische werkzaamheden niet is meegeteld, omdat deze werkzaamheden zijn verricht nadat aan appellant een WAO-uitkering werd toegekend. Op grond van het bepaalde in artikel 46, tweede lid, van Vo. 1408/71 kunnen bij de vaststelling van Nederlandse verzekeringstijdvakken ten behoeve van de berekening van de pro rata breuk immers slechts tijdvakken worden meegerekend die vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis zijn vervuld. De Raad wijst er nog op dat de Duitse arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, dus na de periode van therapeutische werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4808 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Duitsland (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 juli 2006, 06/1860 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2009. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.W. Huiskamp.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren op [in] 1964, heeft in het verleden zowel in Nederland als in Duitsland werkzaamheden verricht. Vanaf 28 augustus 1997 ontving hij (voorlopig) uitkeringen op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van 1 november 1998 werd aan hem tevens een Duitse uitkering (Berufsunfähigkeitsrente) toegekend. Bij besluit van 25 juni 2002 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant per 1 november 1998 (definitief) vastgesteld op een bedrag van € 29,94 bruto per dag. Verder is aan appellant meegedeeld dat zijn uitkering met ingang van 25 juli 2000 wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% en wordt berekend onder toepassing van artikel 46, tweede lid, van verordening (EEG) nr. 1408/71 (hierna: Vo. 1408/71). Daarbij is ervan uitgegaan dat appellant in Nederland 5,961 jaar werkzaam is geweest en in Duitsland 9,5 jaar. Het Nederlandse verhoudingscijfer is daarom 0,3856. Met ingang van 25 juli 2000 bedraagt de WAO-uitkering 14% van 100/108 van € 62,22 (het voor hem geldende vervolgdagloon) vermenigvuldigd met 0,3856 (het pro rata cijfer), is € 3,11 per uitkeringsdag.

1.2. Bij beslissing op bezwaar van 1 november 2002 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daarbij is vermeld dat bij de bepaling van de Nederlandse verzekeringstijdvakken ten onrechte de periode van 24 november 1997 tot 11 december 1997 (18 dagen) is meegeteld. Dit heeft tot gevolg dat het Nederlandse verhoudingscijfer dient te worden vastgesteld op 0,3836. De uitkering bedraagt op die basis ingaande 25 juli 2000 € 3,09 per uitkeringsdag. Gelet op het feit dat het appellant redelijkerwijs niet duidelijk kon zijn dat de uitkering op onjuiste wijze was vastgesteld, wordt de aanpassing geëffectueerd per 1 december 2002. Met ingang van die datum bedraagt de uitkering als gevolg van een verhoging van het vervolgdagloon € 3,43 per uitkeringsdag.

1.3. Bij uitspraak van 7 april 2004, nr. 02/5143, heeft de rechtbank Amsterdam het beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard onder de overweging dat appellant heeft verzuimd de gronden van het beroep, als bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in te dienen. Bij zijn uitspraak van 27 januari 2006, nr. 04/2396 WAO, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak met toepassing van artikel 26 van de Beroepswet ter verdere behandeling teruggewezen naar de rechtbank. Daartoe heeft hij het volgende overwogen:

“De Raad kan het beroep van de rechtbank op de uitspraak van de Raad van 2 maart 1999, gepubliceerd in JABW 1999, 66, niet volgen. Buiten kijf staat dat het beroepschrift van de gemachtigde een standpunt bevat ten aanzien van de in het besluit op bezwaar neergelegde overwegingen. Daar komt bij dat gedaagde in essentie zijn aan het besluit in primo ten gronde gelegde motivering in de beslissing op bezwaar heeft gehandhaafd. Er bestond in het onderhavige geval dan ook voldoende duidelijkheid met betrekking tot de punten die partijen verdeeld hielden met betrekking tot het hier in geding zijnde besluit van 1 november 2002 (vgl. CRvB 22 augustus 2001, JB 2001, 279).”.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de periode van 24 november 1997 tot 11 december 1997, waarin appellant op arbeidstherapeutische basis bij zijn toenmalige werkgever [naam werkgever] werkzaam was, niet meetelt bij het toepassen van artikel 46 van Vo. 1408/71. Daarbij is gewezen op een verschil in benadering tussen de Nederlandse en Duitse instanties, in de zin dat het Duitse sociale verzekeringsorgaan (Landesversicherungsanstalt Westfalen) evengenoemde periode wél bij de berekening van het recht op uitkering heeft betrokken.

3.2. Blijkens het ingediende verweerschrift stelt het Uwv zich op het standpunt dat de periode van therapeutische werkzaamheden terecht niet is meegeteld, omdat deze werkzaamheden zijn verricht nadat aan appellant ingaande 28 augustus 1997 een WAO-uitkering werd toegekend. Op grond van het bepaalde in artikel 46, tweede lid, van Vo. 1408/71 kunnen bij de vaststelling van Nederlandse verzekeringstijdvakken ten behoeve van de berekening van de pro rata breuk immers slechts tijdvakken worden meegerekend die vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis zijn vervuld.

4.1. In hetgeen namens appellant is aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding de zienswijze van het Uwv met betrekking tot de toepassing van artikel 46, tweede lid, van Vo. 1408/71 voor onjuist te houden. Daarbij wijst hij er nog op dat de Duitse arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend met ingang van 1 november 1998, dus na de periode van 24 november 1997 tot 11 december 1997.

4.2. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en M.M. van der Kade en L.J.A. Damen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 april 2009.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) W. Altenaar.

IA