Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI4071

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-05-2009
Datum publicatie
18-05-2009
Zaaknummer
07-5556 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. De Raad is van oordeel dat appellant met de genoemde rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige Van Dam genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kan worden gedragen door de door appellant gestelde geschiktheid van betrokkene voor het eigen werk. Hij wijst er op dat de bezwaararbeidsdeskundige, na overleg met het COA, heeft gerapporteerd dat het eigen werk van betrokkene als zodanig nog bij het COA bestond, hetgeen niet door betrokkene is betwist. De Raad is met appellant van oordeel dat met het bestreden besluit niet ten nadele van betrokkene is beslist. Met het bestreden besluit is immers het in het besluit van 16 juni 2006 vervatte standpunt gehandhaafd dat voor betrokkene per 23 juni 2006 geen recht is ontstaan op uitkering ingevolge de Wet WIA.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5556 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 28 augustus 2007, 07/92

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 13 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A.M. Moolenaars, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te Amsterdam, een verweerschrift ingediend, aangevuld bij schrijven van 17 maart 2009.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Klaver. Betrokkene is met voorafgaand bericht niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 16 juni 2006 heeft appellant vastgesteld dat voor betrokkene met ingang van 23 juni 2006 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en bij besluit van 16 januari 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant dit bezwaar ongegrond verklaard. Het bestreden besluit is gebaseerd op een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts N. Visser van 4 januari 2007 en een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige G. van Dam van 10 januari 2007. Blijkens deze rapportages ligt aan het bestreden besluit de opvatting ten grondslag dat betrokkene weliswaar beperkingen voor het verrichten van arbeid ondervindt ten gevolge van een chronisch pijnsyndroom van nek- en rugklachten, maar dat zij met deze beperkingen in staat moet worden geacht tot het verrichten van de maatgevende arbeid, te weten de functie van medewerker financiële administratie A voor 32 uur per week bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), dan wel - subsidiair - tot het vervullen van passende arbeid.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen opnieuw, met inachtneming van het in de uitspraak overwogene, op het bezwaarschrift van betrokkene te beslissen. Zij heeft daartoe - kort weergegeven - overwogen dat de medische beoordeling niet onzorgvuldig of onjuist is te achten en dat de ten aanzien van betrokkene opgestelde Functionele mogelijkhedenlijst, die door de bezwaarverzekeringsarts Visser nog op een enkel punt is aangepast, een reële weergave is van de beperkingen van betrokkene. Wat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit betreft, is de rechtbank evenwel van oordeel dat ten onrechte aan de onderhavige schatting de geschiktheid van betrokkene voor de maatgevende arbeid ten grondslag is gelegd. Zij heeft daartoe overwogen dat het dienstverband van betrokkene met het COA per 31 oktober 2005 is verbroken in verband met een reorganisatie en dat de enkele niet nader onderbouwde opmerking van de bezwaararbeidsdeskundige Van Dam dat soortgelijke functies in ruime mate voorkomen op de arbeidsmarkt een onvoldoende onderbouwing is voor de stelling dat soortgelijke arbeid met eenzelfde belasting en beloning bij andere werkgevers voorhanden is. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat ten aanzien van één van de aan betrokkene voorgehouden functies onvoldoende is gemotiveerd waarom deze als een voor betrokkene passende functie kan worden aangemerkt, nu er in die functie langdurig moet worden gezeten met een zeer beperkte mogelijkheid om te lopen of te staan. Als deze functie vervalt, resteren onvoldoende functies om de schatting te dragen. De rechtbank heeft, gelet op het voorgaande, geconcludeerd dat het bestreden besluit een deugdelijke (arbeidskundige) onderbouwing ontbeert en derhalve in strijd is met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. Appellant heeft in hoger beroep gronden aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit en, met verwijzing naar een nadere rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige Van Dam van 1 oktober 2007, gesteld dat de schatting op basis van de geschiktheid van betrokkene voor haar maatgevende arbeid de rechterlijke toets wel kan doorstaan, nu genoegzaam aannemelijk is gemaakt dat betrokkene per 23 juni 2006 in staat is tot het verrichten van haar eigen werk en het werk dat betrokkene verrichtte op die datum als zodanig nog bij het COA voorkwam.

4. Betrokkene heeft zich in haar verweerschrift op het standpunt gesteld dat de rechtbank op juiste gronden de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit als onvoldoende heeft aangemerkt en om die reden terecht tot vernietiging van het bestreden besluit heeft beslist.

5.1. Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. Hij beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

5.2. De rechtbank heeft haar oordeel dat door appellant ten onrechte de geschiktheid voor de eigen, maatgevende arbeid aan de schatting ten grondslag is gelegd, gebaseerd op de overweging dat hervatting in de oude functie niet mogelijk is en door appellant niet in voldoende mate is onderbouwd dat soortgelijke arbeid als het maatgevende werk van betrokkene op de in geding zijnde datum 23 juni 2006 in voldoende mate voorkomt. De Raad is evenwel van oordeel dat appellant met de genoemde rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige Van Dam genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kan worden gedragen door de door appellant gestelde geschiktheid van betrokkene voor het eigen werk. Hij wijst er op dat de bezwaararbeidsdeskundige, na overleg met het COA, heeft gerapporteerd dat het eigen werk van betrokkene als zodanig nog bij het COA bestond, hetgeen niet door betrokkene is betwist.

5.3. In beroep heeft betrokkene zich voorts op het standpunt gesteld dat zij het onjuist acht dat appellant de beslissing op bezwaar primair heeft doen steunen op de overweging dat zij in staat is tot het verrichten van de maatgevende arbeid omdat daarmee ten nadele van haar wordt afgeweken van het besluit van 16 juni 2006, dat was gebaseerd op de overweging dat zij geschikt is voor het vervullen van aan haar geduide functies. De Raad is met appellant van oordeel dat met het bestreden besluit niet ten nadele van betrokkene is beslist. Met het bestreden besluit is immers het in het besluit van 16 juni 2006 vervatte standpunt gehandhaafd dat voor betrokkene per 23 juni 2006 geen recht is ontstaan op uitkering ingevolge de Wet WIA.

5.4. Op grond van het overwogene onder 5.2 en 5.3 is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond dient te worden verklaard.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en P.J. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.A. van Amerongen.

KR