Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI3834

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2009
Datum publicatie
19-05-2009
Zaaknummer
07-6029 BZ + 07-6030 BZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering verstrekte lening inclusief achterstallige rente. Gebonden bevoegdheid. Geen plaats voor toetsing aan evenredigheidsbeginsel of aan de redelijkheid en billijkheid. Geen schending van het vertrouwensbeginsel. Geen strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Geen sprake van verjaring van de vordering. Geen dringende reden om af te zien van terugvordering.

Wetsverwijzingen
Besluit bijstandverlening zelfstandigen 39
Besluit bijstandverlening zelfstandigen 40
Besluit bijstandverlening zelfstandigen 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/174
JWWB 2009, 151
USZ 2009/207
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6029 BZ

07/6030 BZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant), en [Appellante] (hierna: appellante), wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 13 september 2007, 07/243 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Enkhuizen (hierna: College)

Datum uitspraak: 12 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M. Maasdam, advocaat te Heerhugowaard, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2009. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Maasdam. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Mentink, werkzaam bij de gemeente Enkhuizen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is per 3 november 1992 onder de naam [naam onderneming] een onderneming gestart die metaalbewerkingen verrichtte en in opdracht machines voor derden bouwde. De onderneming werd uitgeoefend in de vorm van een besloten vennootschap waarvan appellant directeur en (vanaf 4 maart 1999) enig aandeelhouder was.

1.2. Appellanten hebben in verband met een bij de onderneming ontstaan liquiditeits-probleem met een op 29 augustus 2002 ontvangen aanvraagformulier op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) en het Besluit Bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) om bijstand voor de voorziening in bedrijfskapitaal verzocht.

1.3. Oudeman & Partners CI hebben, na onderzoek en na een gesprek met appellanten op 13 september 2002, aan het College geadviseerd appellant tot een bedrag van € 65.000,-- een Bbz-krediet te verstrekken en ter meerdere zekerheid van de terugbetaling van de te verstrekken lening het recht van hypotheek op het bedrijfspand te vestigen.

Bij besluit van 19 november 2002, gericht aan appellanten, heeft het College overeenkomstig dat advies het gevraagde bedrijfskrediet toegekend met een bepaling dat de uitbetaling zal plaatsvinden zodra de hypotheekvestiging heeft plaatsgevonden en met bepalingen omtrent rente en de data waarop op de lening moet worden afgelost. Vervolgens is op 3 december 2002 op het bedrijfspand een vierde hypotheek gevestigd. Volgens de hypotheekakte is die hypotheek gevestigd tot meerdere zekerheid voor de betaling van al hetgeen de gemeente Enkhuizen blijkens zijn administratie van appellant, handelend in privé, en zijn echtgenote, appellante, zowel van hen samen als ieder van hen afzonderlijk, te vorderen heeft of mocht hebben, uit hoofde van het bedrijfskrediet en is de vordering van de gemeente Enkhuizen opeisbaar (onder meer) bij faillissement van de hypotheekgever.

1.4. Begin juni 2003 is de onderneming beëindigd en op 12 juni 2003 is het faillissement van [[naam onderneming] uitgesproken. Het College heeft bij brief van 11 november 2003 appellanten gemaand tot betaling van de rente- en aflossingsverplichtingen. Ook na een tweede aan appellanten gerichte brief van het College, gedateerd 10 mei 2004, werd niet aan de rente- en aflossingsverplichtingen voldaan. Op 2 juni 2005 volgde het faillissement van de hypotheekgever, [hypotheekgever] Het faillissement van [naam onderneming] werd op 16 juni 2005 opgeheven wegens gebrek aan baten. Bij brief van 28 juli 2005 werden appellanten er nogmaals aan herinnerd dat op de lening niets was afgelost. Het bedrijfspand werd vervolgens verkocht en de netto-opbrengst uit de verkoop werd overgemaakt aan de eerste hypotheekhouder. Appellanten reageerden niet op een verzoek van IMK Intermediair B.V. van 20 april 2005 om nadere gegevens over de jaren 2001 tot en met 2004.

1.5. Bij besluit van 24 juli 2006 heeft het College een bedrag van € 65.341,76 (de verstrekte lening inclusief achterstallige rente) van appellanten teruggevorderd. Bij besluit van 28 november 2006 heeft het College het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 24 juli 2006 ongegrond verklaard onder verwijzing naar onder meer de artikelen 39, tweede lid, aanhef en onder b en c, 40 en 44 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 juli 2006 ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen appellanten in hoger beroep tegen deze uitspraak hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Uit de onder 1.1 tot en met 1.4 vastgestelde feiten volgt dat het door appellanten aangevraagde bedrijfskrediet aan hen als (gezamenlijk) subject van bijstand is verstrekt en dat zij na de beëindiging van de onderneming en het faillissement van de rechtspersoon waarmee de onderneming is uitgeoefend, de verplichtingen tot betaling van rente en aflossing, genoemd in het aan hen geadresseerde toekenningsbesluit, ook na aanmaningen van het College niet zijn nagekomen. Daarmee is al gegeven dat aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 40, tweede volzin, van het Bbz 2004 gelezen in samenhang met artikel 44, eerste lid, van het Bbz 2004 is voldaan. Anders dan de gemachtigde van appellanten heeft gesteld, houden deze bepalingen geen discretionaire bevoegdheid in maar een gebonden bevoegdheid voor het College om het geleende bedrag en de achterstallige rente van appellanten terug te vorderen. De omstandigheid dat in het toekenningsbesluit van 19 november 2002 niet is vermeld dat het bedrag van de lening terstond opeisbaar is bij het niet nakomen van de verplichtingen tot betaling van rente en aflossing, bij bedrijfsbeëindiging of in geval van faillissement, alsook het feit dat er geen overeenkomst van geldlening, inhoudende aanvaarding van hoofdelijke aansprakelijkheid door appellanten in privé, is opgemaakt, betekenen naar het oordeel van de Raad niet dat het College om die reden van zijn verplichting tot terugvordering in dit geval zou moeten afzien. Die verplichting vloeit immers rechtstreeks voort uit de door het College in zijn besluit genoemde artikelen uit het Bbz 2004. Voor toetsing aan het door de gemachtigde van appellanten genoemde evenredigheidsbeginsel of aan de redelijkheid en billijkheid is hier geen plaats. Evenmin kunnen appellanten met succes een beroep doen op schending van het vertrouwensbeginsel. Op grond van de beschikbare gegevens is voor de Raad niet komen vast te staan dat vanwege het College bij appellanten zodanige verwachtingen zijn gewekt dat daarop een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel jegens hen kan worden gebaseerd. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel of van verjaring van de vordering is evenmin sprake.

3.2.1. Uit het Bbz 2004 volgt ook dat het College in een geval als dat van appellanten slechts bevoegd is geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen zijn in de zin van artikel 44, tweede lid, van het Bbz 2004. Ten aanzien van de vraag of het College bevoegd was wegens dringende redenen geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, overweegt de Raad het volgende.

3.2.2. Overeenkomstig hetgeen de Raad eerder met betrekking tot het (gelijkluidende) artikel 78, derde lid, van de Abw heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 16 november 2004, LJN AR6064), kunnen dringende redenen in de zin van artikel 44, tweede lid, van het Bbz 2004 slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van sociale en /of financiële consequenties van een terugvordering voor de belanghebbende. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. In het geval van appellanten is de Raad van oordeel dat van consequenties als hiervoor bedoeld niet is gebleken. De aangevoerde burnout van appellant en de whiplash van appellante ten tijde van het adviesgesprek op 13 september 2002 betreffen niet de situatie ten tijde van het besluit tot terugvordering. De Raad voegt hier nog aan toe dat het tijdsverloop tussen het opeisbaar worden van de vordering (dat is begin juni 2003, het moment van het beëindigen van de onderneming) en het besluit tot terugvordering niet nadelig voor appellanten heeft uitgewerkt en dat bij de effectuering van de terugvordering de aflossingsbedragen zo dienen te worden vastgesteld dat appellanten blijven beschikken over de beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In dit licht bezien kan ook de financiële situatie waarin appellanten als gevolg van de terugvordering komen te verkeren niet als een dringende reden in de zin van artikel 44, tweede lid, van het Bbz 2004 worden aangemerkt. Ten slotte kan ook niet met vrucht een beroep worden gedaan op artikel 6, aanhef en onder b, van de door het College geformuleerde Beleidsregels terugvordering bijstand. De Raad wijst er in dit verband nog op dat volgens de tekst van artikel 1, aanhef en onder b, deze beleidsregels zien op gevallen waarin het gaat om het hanteren van de (wel discretionaire) bevoegdheid tot terugvorderen van kosten van bijstand op basis van de artikelen 58 en 59 van de WWB. De conclusie moet dan ook zijn dat het College niet de bevoegdheid toekwam om wegens dringende redenen geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

3.3. Het hoger beroep slaagt niet. Met inachtneming van het voorgaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

4. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.F. Bandringa en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2009.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) B.E. Giesen.

NK