Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI3733

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2009
Datum publicatie
14-05-2009
Zaaknummer
08-2145 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking (volledige) WAO-uitkering. De Raad deelt niet het standpunt van het Uwv dat de rechtbank de deskundige slechts had mogen bevragen over de mogelijke congenitale dysplasie. Het staat de rechtbank vrij, het advies volgende van de reumatoloog, ook de orthopedisch chirurg te verzoeken zijn opvatting over de gehele FML te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2145 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 1 april 2008, 05/973 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).

en

appellant

Datum uitspraak: 8 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.J.J. Jansen, advocaat te Kapelle, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2009.

Appellant was niet vertegenwoordigd. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Jansen.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 30 augustus 2005 heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, gehandhaafd het besluit van 24 mei 2005, waarbij de uitkering van betrokkene ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 25 juli 2005 is ingetrokken.

2.1. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het besluit van 30 augustus 2005 gegrond verklaard na het inwinnen van advies bij de reumatoloog dr. G.H.C. Schardijn en de orthopedisch chirurg H.J.A. Kruls.

2.2. Blijkens zijn rapportage van 29 maart 2007 kon Schardijn instemmen met de door de verzekeringsartsen vastgestelde belastbaarheid van betrokkene, en moest betrokkene in alle redelijkheid geacht worden de functies van telefonist/centralist, telefonist taxicentrale en administratief medewerker schadeverzekering te kunnen verrichten.

Tevens heeft hij geconcludeerd dat een van de betrokkene voorgehouden functies administratief medewerker theoretisch ongeschikt zou kunnen zijn. Voorts heeft hij geadviseerd betrokkene door een deskundige op het gebied van de orthopedie te laten beoordelen ? temeer daar in één van de röntgenverslagen ook nog melding wordt gemaakt van een congenitale dysplasie van de beide heupkommen?.

2.3. Uit de rapportage van Kruls van 9 oktober 2007, zoals nader toegelicht bij brieven van 30 november en 18 december 2007, valt af te leiden dat hij niet kan instemmen met de belastbaarheid van betrokkene, zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 8 april 2005, dat hij betrokkene niet in staat acht om 8 uur per dag en 40 uur per week te werken en dat zowel de telefonistenfuncties als de administratieve medewerkerfuncties voor betrokkene niet geschikt zijn.

Ten aanzien van de opmerking van de reumatoloog Schardijn dat er sprake zou zijn van congenitale dysplasie van beide heupkoppen deelt hij mee dat dit niet het geval is en dus geen rol speelt in het ziektebeloop.

3.1. Het Uwv heeft in hoger beroep, evenals bij de rechtbank, verzocht de rapportage van de deskundige Kruls buiten beschouwing te laten, aangezien hij zich door de te ruim geformuleerde vraagstelling van de rechtbank ten onrechte niet heeft beperkt tot de beoordeling van de aandoening congenitale dysplasie waarvoor zijn specifieke deskundigheid noodzakelijk werd geacht, terwijl bovendien bleek dat die aandoening nooit heeft bestaan.

3.2. Betrokkene heeft zich in het verweerschrift geheel achter de aangevallen uitspraak geschaard.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. De Raad deelt niet het standpunt van het Uwv dat de rechtbank Kruls slechts had mogen bevragen over de mogelijke congenitale dysplasie. Het staat de rechtbank vrij, het advies volgende van de reumatoloog, ook de orthopedisch chirurg te verzoeken zijn opvatting over de gehele FML te geven. Overigens wijst de Raad erop dat, gelet op de beantwoording van vraag 4 door de reumatoloog, deze deskundige niet alleen het oog had op laatst genoemde aandoening. Naar het oordeel van de Raad hebben de reumatoloog en de orthopedisch chirurg betrokkene voorts ieder vanuit hun eigen specifieke deskundigheid beoordeeld. Voor het buiten beschouwing laten van het oordeel van Kruls, zoals verzocht door het Uwv, ziet de Raad geen aanleiding. De aandoening van betrokkene heeft mede een orthopedische achtergrond. De Raad wijst erop dat betrokkene zes keer door een orthopedisch chirurg is geopereerd voor haar gewrichtsklachten. De omstandigheid dat de reumatoloog op zijn vakgebied geen beperkingen heeft kunnen vaststellen tot het verrichten van de geduide functies doet niet af aan het oordeel van de orthopedisch chirurg.

4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van het Uwv niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.4. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht van € 433,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.C.A. de Wit.

CVG