Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI3729

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2009
Datum publicatie
14-05-2009
Zaaknummer
05-6884 WAO + 06-1518 WAO + 08-6268 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Diverse besluiten. Hangende het hoger beroep heeft het Uwv twee nieuwe besluiten op bezwaar genomen. Deskundige wordt gevolgd. Arbeidskundige grondslag: Bij het buiten beschouwing laten van de functies van magazijn, expeditie-medewerker en assistent consultatiebureau resteren voor een schatting onvoldoende functies. Omvang geding. Schending redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6884 WAO, 06/1518 WAO en 08/6268 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 19 oktober 2005, 04/3305 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.S. Fluit, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2007, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Fluit, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.

Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft de Raad het onderzoek heropend.

Desgevraagd heeft M.P. Rulkens, revalidatiearts te Arnhem als deskundige van verslag en advies gediend. Op zijn rapport van 23 juni 2008 is door beide partijen gereageerd.

Het Uwv heeft nieuwe besluiten op bezwaar ingezonden van 29 november 2005 en 27 oktober 2008.

Het geding is opnieuw ter zitting behandeld op 20 maart 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Fluit. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Florijn.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, in 1978 uitgevallen als gevolg van een tractorongeval waardoor hij een linkerbovenbeenamputatie heeft moeten ondergaan, ontvangt een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) die laatstelijk is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Voorts werkt appellant gedurende

29 uur per week bij zijn eigen werkgever in aangepast timmerwerk. Op 21 oktober 2002 meldt appellant zich voor dit werk ziek wegens nek- en armklachten.

1.2. Bij besluit van 20 februari 2004 heeft het Uwv meegedeeld dat de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 januari 2003 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij een ander besluit met dezelfde datum is beslist dat na afloop van de wettelijke wachttijd, zijnde op 20 oktober 2003, de WAO-uitkering onveranderd wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.3. De bezwaren van appellant tegen deze beide besluiten zijn bij besluit van 2 december 2004 gegrond verklaard. Besloten is de WAO-uitkering zowel met ingang van 1 januari 2003 als met ingang van 20 oktober 2003 te berekenen naar een mate arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

2. Tegen dit besluit is beroep aangetekend. Blijkens de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het geschil beperkt tot de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op 20 oktober 2003. De rechtbank heeft zich met de medische grondslag kunnen verenigen. De rechtbank heeft ten aanzien van de arbeidskundige grondslag geoordeeld dat de geschiktheid van twee van de drie geduide functies, in onvoldoende mate is aangetoond. Dit betekent dat de schatting nog slechts op één functie berust hetgeen niet in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 9 van het Schattingsbesluit. De rechtbank heeft het beroep daarom gegrond verklaard, het besluit van 2 december 2004 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tenslotte is het Uwv opgedragen de in beroep gemaakte proceskosten en het griffierecht te vergoeden.

3.1. Het Uwv heeft in de aangevallen uitspraak berust. Op 29 november 2005 is een nieuw besluit genomen op het bezwaar van appellant. Hierin is meegedeeld dat op grond van nader onderzoek door de bezwaararbeidsdeskundige de functies machinaal metaalbewerker en parkeercontroleur, naast de door de rechtbank geschikt bevonden functie productiemedewerker industrie, onveranderd geschikt zijn zodat met ingang van 20 oktober 2003 de mate van arbeidsongeschiktheid 35 tot 45% blijft.

3.2. Bij besluit van 27 oktober 2008 heeft het Uwv een gewijzigd besluit op bezwaar genomen waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid per 20 oktober 2003 nader is vastgesteld op 55 tot 65%.

4. In hoger beroep is namens appellant herhaald dat bij het opstellen van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) te weinig rekening is gehouden met de nek- en armklachten en de klachten als gevolg van de linkerbeenamputatie van appellant. Ter ondersteuning van zijn standpunt is verwezen naar de medische informatie van M. Spruit, orthopedisch chirurg, d.d. 1 november 2005 en 13 april 2006, van O.J.M. Vogels, neuroloog, d.d. 31 maart 2006 en van C. van der Burg, huisarts d.d. 14 maart 2006. Aangevoerd is dat uit deze medische informatie blijkt dat appellant gelet op zijn klachten, niet in staat is fulltime werkzaamheden te verrichten en dat er aanleiding is om een urenbeperking aan te nemen. Wat betreft het arbeidskundige deel van de schatting is uitvoerig uiteen gezet waarom de functies niet geschikt zijn.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Hangende het hoger beroep heeft het Uwv twee nieuwe besluiten op bezwaar genomen, gedateerd 29 november 2005 en 27 oktober 2008. De Raad ziet aanleiding om, onder toepassing van het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bij de behandeling van het hoger beroep tevens een oordeel te geven over deze besluiten, nu hiermee niet geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellant. Nu met het besluit van 27 oktober 2008 het standpunt zowel ten aanzien van medische grondslag als ten aanzien van de geschiktheid van de voor de schatting gebruikte functies niet onverkort is gehandhaafd, komen de aangevallen uitspraak en het nadere besluit van 29 november 2005 voor vernietiging in aanmerking.

Met betrekking tot de datum 20 oktober 2003

5.2. De Raad heeft aanleiding gevonden om appellant te laten onderzoeken door revalidatiearts Rulkens. Daarbij heeft de Raad de deskundige verzocht zowel een oordeel te geven over de gezondheidssituatie van appellant op 20 oktober 2003 als op 1 januari 2003.

5.3. De deskundige Rulkens komt in zijn rapport tot de conclusie dat het Uwv de belastbaarheid van appellant te hoog heeft ingeschat. De deskundige geeft aan dat appellant wat betreft de nek- en schouderproblematiek alsmede de linkerbeenamputatie meer beperkt is op een aantal items in de rubrieken 4 en 5 van de FML dan door het Uwv is aangenomen. Daarbij wijst de deskundige er tevens op dat het lopen met een bovenbeenprothese, zoals in het geval van appellant, 60% meer energie vraagt dan lopen zonder een dergelijk hulpmiddel. Voorts is de deskundige van mening dat tussen de lichamelijke gezondheidssituatie van appellant op 1 januari 2003 en 20 oktober 2003 geen verschil is.

5.4. Bezwaarverzekeringsarts R.F. Seleski heeft bij rapport van 19 augustus 2008 op het deskundigenrapport uitgebreid en gemotiveerd gereageerd. Hij heeft toegelicht op welke punten hij het eens is met de deskundige en heeft de FML daarop bijgesteld. Voorts heeft hij aangegeven op welke items hij, in tegenstelling tot de deskundige, geen bijstelling van de FML nodig acht. Met deze aangepaste FML heeft bezwaararbeidsdeskundige

R. Stroband in zijn rapport van 2 september 2008 geconcludeerd dat de eerder geduide functies niet (meer) passend zijn. In verband met de einde wachttijdsituatie per 20 oktober 2003 heeft Stroband alsnog het CBBS geraadpleegd, waarna de volgende drie functies geschikt zijn bevonden: productiemedewerker industrie, Sbc-code 111180, magazijn, expeditie-medewerker, 111220, en assistent consultatiebureau, 372091. Vergelijking van het mediaanloon van deze functies met het maatmanloon levert per 20 oktober 2003 een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% op. Dit standpunt heeft het Uwv neergelegd in het nader gewijzigde besluit van 27 oktober 2008, zoals vermeld onder 3.2.

5.5. De Raad heeft het aangewezen geacht het rapport van bezwaarverzekeringsarts Seleski voor reactie voor te leggen aan deskundige Rulkens. Bij brief van 25 november 2008 heeft Rulkens meegedeeld dat hij zich zowel kan vinden in het rapport van Seleski als in de aangepaste FML.

5.6. In zijn vaste jurisprudentie ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is gerechtvaardigd. De Raad is van oordeel dat in dit geval geen aanleiding bestaat om Rulkens niet te volgen. Naar het oordeel van de Raad leidt dit er toe dat met de FML van 20 augustus 2008 de beperkingen van appellant op 1 januari 2003 en 20 oktober 2003 voldoende in beeld te zijn gebracht.

5.7. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van besluit van 27 oktober 2008, overweegt de Raad dat het beroep van appellant slaagt. Naar het oordeel van de Raad is door het Uwv onvoldoende gemotiveerd dat de functie van magazijn, expeditie-medewerker, geschikt is voor appellant. Uit de functieomschrijving van magazijn, expeditie-medewerker blijkt dat het verzamelen van lesmaterialen en het aanvullen van de voorraad respectievelijk 35% en 10%, totaal 45%, van de werktijd beslaat. Nu deze taken beide lopend dienen te worden uitgevoerd, is de Raad zonder nadere arbeidskundige motivering niet overtuigd, gelet op de beperking van appellant ten aanzien van het lopen, dat deze functie geschikt moet worden geacht. Ook de functie van assistent consultatiebureau ontbeert naar het oordeel van de Raad een voldoende draagkrachtige motivering. Uit de FML blijkt dat appellant op het item 5.5 van de FML (geknield of gehurkt actief zijn) beperkt is. Seleski heeft in zijn rapportage van 19 augustus 2008 tot uitdrukking gebracht dat de ernst van de beperking van appellant om met zijn prothese geknield of gehurkt acties te zijn niet wordt onderschat, maar dat de FML de verzekeringsarts slechts de keuze laat tussen 0 (normaal, ten miste 5 minuten achtereen) en 1 (beperkt, minder dan 5 minuten achtereen). Met een 1 is de maximale beperking die het systeem hanteert voor appellant aangenomen. De Raad is van oordeel dat de toelichting niet volstaat. Gelet op de beperking van appellant kan zonder nadere motivering niet worden aangenomen dat een functie, die een belasting kent op knielen/hurken (kortstondig, maar frequent), geschikt is.

5.8. Bij het buiten beschouwing laten van de functies van magazijn, expeditie-medewerker en assistent consultatiebureau resteren voor een schatting onvoldoende functies. Het beroep van appellant tegen het besluit van 27 oktober 2008 dient om deze reden gegrond te worden verklaard en dit besluit zal wegens strijd met artikel 7: 12, eerste lid, van de Awb worden vernietigd. Het Uwv zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen op het door appellant gemaakte bezwaar.

Met betrekking tot de datum 1 januari 2003

5.9. Namens appellant is ter zitting van de Raad van 21 september 2007 desgevraagd gesteld dat zijn beroepsgronden zich tevens richten op de datum 1 januari 2003. Het Uwv bestrijdt dat deze datum nog in geding is aangezien de rechtbank blijkens de aangevallen uitspraak het geding heeft beperkt tot de datum van 20 oktober 2003 en appellant daartegen in het hoger beroepschrift niet is opgekomen.

5.10. De Raad is van oordeel dat het besluit van 2 december 2004 wat betreft de datum van 1 januari 2003 behoort tot de omvang van het geding. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank gelet op de gronden die in beroep zijn aangevoerd, die mede omvatten bezwaren tegen de mate van arbeidsongeschiktheid op 1 januari 2003, de grens van het geding in beroep, ten onrechte zonder nadere motivering, beperkt tot de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op en na 20 oktober 2003. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad alsnog een oordeel geven over de WAO-beoordeling per 1 januari 2003.

5.11. Gelet op het oordeel van de deskundige Rulkens geldt de aangepaste FML van 20 augustus 2008 zowel op 1 januari 2003 als op 20 oktober 2003. De Raad stelt vast dat appellant zich toegenomen arbeidsongeschikt heeft gemeld per 20 oktober 2002 zodat ervan moet worden uitgegaan dat de per 1 januari 2003 vastgestelde beperkingen, als vastgelegd in FML, vanaf 20 oktober 2002 bestaan. Nu op 1 januari 2003 de wettelijke wachttijd van 52 weken als bedoeld in art 37 (oud) van de WAO nog niet verstreken was, kan deze toename van beperkingen dan ook niet leiden tot een verhoging van de WAO-uitkering. Dat betekent dat het beroep tegen het besluit van 2 december 2004, voor zover dit ziet op 1 januari 2003, ongegrond moet worden verklaard.

6. Gemachtigde van appellant heeft op grond van artikel 8:73 van de Awb verzocht appellant te veroordelen in de schade van appellant. Nu appellant een nieuw besluit op bezwaar zal moeten nemen, ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke schade uit te spreken omdat nog niet vaststaat hoe het nieuwe besluit zal gaan luiden. Appellant zal bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

7.1. Appellants gemachtigde heeft ten slotte de Raad verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.

7.2. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de appellant, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt (onder meer het arrest van 27 juni 2000 inzake Frydlender tegen Frankrijk, zaak nr. 30979/96, gepubliceerd in AB 2001/ 86, en het arrest van 29 maart 2006 inzake Pizzati tegen Italië, zaak nr. 62361/00, gepubliceerd in

JB 2006/134).

7.3. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 25 februari 2004 van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak zijn ruim vijf jaar verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv iets meer dan negen maanden geduurd, waaruit het vermoeden kan worden ontleend dat de redelijke termijn is geschonden door het bestuursorgaan. De behandeling van het beroep bij de rechtbank heeft vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 16 december 2004 tot de uitspraak op 19 oktober 2005 iets meer dan 10 maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn niet is geschonden door de rechtbank. De behandeling van het hoger beroep door de Raad heeft vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift op 30 november 2005 tot de datum van deze uitspraak, ook ruim drie jaar in beslag genomen Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn is geschonden door de Raad.

7.4. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb, moet worden beslist omtrent appellants verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij naast het Uwv de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

8. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 966,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Tevens komen voor vergoeding in aanmerking de kosten voor het inwinnen van medische informatie bij M. Spruit, orthopedisch chirurg, ten bedrage van € 44,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende,

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 2 december 2004 voor zover daarbij de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 20 oktober 2003 is bepaald op 35 tot 45%;

Bevestigt het besluit van 2 december 2004 voor het overige;

Verklaart het beroep tegen de besluiten van 29 november 2005 en 27 oktober 2008 gegrond en vernietigt die besluiten;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met betrekking tot de datum 20 oktober 2003 met inachtneming van deze uitspraak;

Bepaalt dat het onderzoek onder nummers 09/2243, 09/2244, 09/2245, 09/2246, 09/2247 en 09/2248 worden heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent appellants verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt tevens de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.010,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 103,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2009.

(get.) R.C. Stam.

(get.) A.C. Palmboom.

TM