Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI3576

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2009
Datum publicatie
12-05-2009
Zaaknummer
08-4431 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning AOW-pensioen van 42% van het volledige AOW-pensioen, omdat appellant niet verzekerd is geweest in de periode 1 juli 1957 tot 31 december 1978 en van 1 januari 2000 tot en met 30 juni 2007. De hoogte van het AOW-pensioen is gebaseerd op de verzekerde jaren van de pensioengerechtigde. Nu appellant in de periode na 1 januari 2000 niet verzekerd is geweest voor de AOW heeft de Svb die jaren terecht niet meegenomen in de berekening van appellants AOW-pensioen. Appellants grief dat hij met deze uitkering niet in zijn levensbehoefte kan voorzien, kan niet tot een ander oordeel leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4431 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2008, 07/980 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 23 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2009. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A. Slovácek.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant, geboren in 1942, is woonachtig in Marokko. Bij brief van 7 juni 2006 heeft appellant een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd. Op het aanvraagformulier heeft appellant aangegeven dat hij vanaf 1978 tot 1996 in Nederland heeft gewoond en gewerkt en dat hij vanaf 1996 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangt. In 1998 is appellant met behoud van WAO-uitkering teruggekeerd naar Marokko.

1.3. Bij besluit van 1 november 2006 heeft de Svb aan appellant met ingang van juli 2007 een AOW-pensioen toegekend van 42% van het volledige AOW-pensioen, omdat appellant niet verzekerd is geweest in de periode 1 juli 1957 tot 31 december 1978 en van 1 januari 2000 tot en met 30 juni 2007.

1.4. In bezwaar heeft appellant aangegeven dat hij het er niet mee eens is dat de periode na 2000, waarin hij een WAO-uitkering ontving, niet is meegenomen bij de vaststelling van zijn verzekering voor de AOW. Het AOW-pensioen dat hij nu ontvangt is te weinig om van te leven.

1.5. Bij besluit op bezwaar van 19 januari 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 november 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. Tussen partijen is in geschil of de Svb appellant terecht gedurende de periode 1 januari 2000 tot 1 juli 2005 niet verzekerd ingevolge de AOW heeft geacht.

3.2. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AOW is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet degene, die ingezetene is, dan wel die geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen. Niet in geschil is dat appellant met ingang van 19 januari 1998 naar Marokko is teruggekeerd met een WAO-uitkering en vanaf die datum niet langer in Nederland heeft gewoond of gewerkt, zodat appellant op grond van artikel 6, eerste lid, van de AOW niet als verzekerd kan worden aangemerkt.

3.3. Voorts was op grond van artikel 26 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen van 24 december 1998, Stb. 746, zoals dit artikel luidde tot 1 januari 2000, kort samengevat, ook verzekerd krachtens de volksverzekeringen degene die buiten Nederland is gaan wonen en op de dag van vertrek een bepaalde Nederlandse uitkering, zoals bijvoorbeeld een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de WAO, ontving ter hoogte van ten minste een nader omschreven bedrag per maand. Deze bepaling is met ingang van 1 januari 2000 vervallen. Personen als appellant, die tot 1 januari 2000 verplicht verzekerd waren krachtens de volksverzekeringen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld zich vanaf 1 januari 2000 vrijwillig te verzekeren ingevolge onder meer de AOW. Niet is gebleken dat appellant van deze gelegenheid gebruik heeft gemaakt. Dit betekent dat appellant vanaf 1 januari 2000 niet meer verzekerd was ingevolge de AOW.

3.4. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden. De hoogte van het AOW-pensioen is gebaseerd op de verzekerde jaren van de pensioengerechtigde. Nu appellant in de periode na 1 januari 2000 niet verzekerd is geweest voor de AOW heeft de Svb die jaren terecht niet meegenomen in de berekening van appellants AOW-pensioen. Appellants grief dat hij met deze uitkering niet in zijn levensbehoefte kan voorzien, kan niet tot een ander oordeel leiden.

3.5. Het hoger beroep kan derhalve niet slagen. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 april 2009.

(get.) H.J. de Mooij.

(get.) M. Pijper.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

RB

III. DÉCISION

La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale),

statue:

confirme la décision attaquée.

Par conséquent, décidée par M. le maître H.J. de Mooij en présence du maître M. Pijper en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 23 avril 2009.

Les parties disposent d’un délai de six semaines à compter de la date d’envoi pour introduire un pourvoi en cassation contre cette décision devant la Cour de Cassation des Pays-Bas : Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, NL 2500 EH ’s-Gravenhage) au titre de la violation ou de la mauvaise application des dispositions concernant la notion de groupe d’assurés.