Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI3574

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2009
Datum publicatie
12-05-2009
Zaaknummer
07-4852 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijstandsuitkering. In onvoldoende mate voldaan aan de inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4852 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 12 juli 2007, 07/1925 en 07/2051 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 28 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 2 september 2008 heeft mr. R.F. van Leeuwen, advocaat te Rotterdam, zich als gemachtigde van appellant gesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Leeuwen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.H. Nicolai, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 9 januari 2007 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend.

1.2. Bij besluit van 29 januari 2007 heeft het College die aanvraag afgewezen onder verwijzing naar een eerdere beëindiging van bijstand.

1.3. Nadat het College gebleken was dat appellant sedert 9 februari 2006 als eigenaar van de eenmanszaken [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) stond ingeschreven, heeft het College bij brief van 4 april 2007 appellant verzocht alle bankafschriften over 2006 van zijn zakelijke rekeningen van beide firma’s over te leggen. Tevens is appellant verzocht de aangiften inkomstenbelasting inclusief bijlagen zoals bedrijfsjaarstukken over 2006 van beide firma’s over te leggen.

1.4. Bij besluit van 23 mei 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 29 januari 2007 ongegrond verklaard. Het College heeft aan zijn besluit de - gewijzigde - motivering ten grondslag gelegd dat appellant, door de gevraagde gegevens niet over te leggen, de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank - voor zover van belang - het beroep tegen het besluit van 23 mei 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 23 mei 2007 ongegrond is verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Naar vaste rechtspraak van de Raad vormt het niet of in onvoldoende mate voldoen aan de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB in samenhang met artikel 11, eerste lid, van de WWB een rechtsgrond voor weigering van de bijstand indien door schending van die verplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.2. Naar het oordeel van de Raad heeft het College in de omstandigheid dat appellant sedert 9 februari 2006 in het handelsregister van de KvK staat ingeschreven als eigenaar van [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] aanleiding kunnen vinden om van appellant te verlangen - kort gezegd - bankafschriften en jaarstukken over 2006 van beide ondernemingen over te leggen. De Raad stelt vast dat appellant de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd.

4.3. Ter zitting heeft appellant betoogd dat de door het College verzochte gegevens niet bestaan, aangezien beide ondernemingen ten tijde van de aanvraag van appellant niet meer actief waren. Een accountant zou omtrent de “sluiting” van de ondernemingen stukken hebben opgesteld, aldus appellant. Voorts voert appellant aan dat beide ondernemingen bij de KvK slechts op zijn naam stonden geregistreerd ter voorkoming van moeilijkheden voor zijn (tweeling)broer die ten tijde in geding bijstand zou ontvangen.

4.4. De Raad volgt appellant niet in zijn betoog. Daartoe overweegt de Raad dat appellant heeft nagelaten dit betoog te onderbouwen aan de hand van objectief verifieerbare gegevens, terwijl dat naar het oordeel van de Raad in een aanvraagsituatie als hier aan de orde wel op de weg van appellant had gelegen. Niet gebleken is voorts dat het voor appellant onmogelijk was de beschikking te krijgen over de door het College verzochte gegevens, dan wel over de gegevens van de accountant.

4.5. Het voorgaande betekent dat appellant bij zijn aanvraag om bijstand niet heeft voldaan aan de op hem ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB rustende inlichtingenverplichting. Als gevolg van deze schending is ook naar het oordeel van de Raad niet vast te stellen in hoeverre appellant ten tijde van zijn aanvraag recht had op bijstand, zodat het College de afwijzing van de aanvraag terecht in zijn besluit van 23 mei 2007 heeft gehandhaafd.

4.6. Uit 4.1 tot en met 4.5 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - voor bevestiging in aanmerking komt.

4.7. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en R. Kooper en O.L.H.W.I. Korte als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 april 2009.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) J. Waasdorp.

RB