Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI3545

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2009
Datum publicatie
12-05-2009
Zaaknummer
07/3761 + 08/1318 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering ingevolge de WIA, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 60%. Rechtbank heeft besluit vernietigd aangezien onvoldoende passende functies resteerden. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is een besluit genomen, met nadere arbeidskundige onderbouwing. Voldoende medische grondslag. Met de nadere motivering, is een voldoende inzichtelijke en naar zijn inhoud bezien ook deugdelijke onderbouwing gegeven waarom de functie productiemedewerker textiel, ook in het licht van de voor appellant geldende beperking op het punt van het aangewezen zijn op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken, voor hem geschikt is te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3761 en 08/1318 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 mei 2007, 07/690 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Als bijlagen daarbij waren gevoegd een besluit van 26 februari 2008 en een tweetal daaraan ten grondslag liggende rapportages van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige.

Namens appellant is een reactie ingezonden naar aanleiding van evenvermeld besluit.

Het Uwv heeft daarop commentaar geleverd en heeft vervolgens desgevraagd een ontbrekend stuk ingezonden.

Bij faxbericht van 27 maart 2009 heeft de gemachtigde van appellant nadere informatie verstrekt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2009. Appellant is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door drs. J. Hut.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser en het Uwv als verweerder zijn aangeduid, ontleent de Raad de volgende weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden:

“Eiser is als gevolg van spanningsklachten op 27 juli 2004 uitgevallen voor zijn werk als vrachtwagenchauffeur voor 40 uur per week. In aansluiting op de toepasselijke wachttijd heeft verweerder de arbeidsongeschiktheid van eiser vastgesteld op 60%, hetgeen heeft geresulteerd in het primaire besluit.

In dit verband heeft de verzekeringsarts F.C. Swaan (hierna: Swaan) op 29 mei 2006 een Functionele Mogelijkheden Lijst (hierna: FML) opgesteld. Daarin zijn beperkingen aangegeven ten aanzien van:

?eisers persoonlijk functioneren (aangewezen op werk waarbij hij niet wordt afgeleid door activiteiten van anderen, zonder veelvuldig storen, zonder veelvuldige deadlines of productiepieken en zonder hoog handelingstempo);

?eisers sociaal functioneren (beperkt omgaan met conflicten, aangewezen op werk met weinig of geen direct contact met patiënten of hulpbehoevenden en aangewezen op werk dat geen leidinggevende aspecten bevat);

?geluidsbelasting, namelijk beperkt; en

?werktijden (kan ’s nachts niet werken, kan gemiddeld ongeveer 4 uur per dag en 20 uur per week werken).

De arbeidsdeskundige heeft vervolgens in een rapportage van 13 juni 2006 een vijftal gangbare functies voor eiser geschikt geacht. Het loon dat met de mediaanfunctie van die functies verdiend kan worden ligt 60% lager dan het zogeheten maatmaninkomen van eiser.

In het kader van de heroverweging heeft de bezwaarverzekeringsarts P. van de Merwe geconcludeerd dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken van het medische oordeel van Swaan. De bezwaararbeidsdeskundige P. de Zeeuw heeft geconcludeerd dat de aan eiser geduide functies onveranderd geschikt zijn te achten.”

2. Bij het bestreden besluit van 19 januari 2007 heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 juni 2006, waarbij het Uwv appellant met ingang van 25 juli 2006 in aanmerking heeft gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

3.1. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met de medische grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank heeft het onderzoek van de verzekeringsartsen als zorgvuldig aangemerkt en overwogen dat de functionele mogelijkheden van appellant door die artsen correct zijn vastgesteld. De rechtbank heeft zich met de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit evenwel niet kunnen verenigen. De bezwaren van de rechtbank richten zich daarbij op de volgende drie functies: de productiemedewerker textiel (Sbc-code 272043), de telefonist/receptionist (Sbc-code 315120) en de postbesteller (Sbc-code 282020).

3.2. Met betrekking tot eerstgenoemde functie van productiemedewerker textiel heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellant volgens de verzekeringsartsen is aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken. Aangezien niet duidelijk is wat in dit verband moet worden verstaan onder “veelvuldig” - de gemachtigde van het Uwv heeft dat desgevraagd ter zitting niet nader kunnen verduidelijken - heeft de rechtbank geoordeeld dat niet inzichtelijk te toetsen is of de functie van productie-medewerker textiel, waarbij er gemiddeld een uur per week sprake is van productie-pieken, past binnen de mogelijkheden van appellant.

3.3. Met het vervallen van de drie hiervoor genoemde functies resteren te weinig functies - namelijk twee - als grondslag voor de schatting. De rechtbank heeft het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant met inachtneming van haar uitspraak. In dat nieuwe besluit dient het Uwv tevens het door zijn gemachtigde ter zitting aangegeven verzuim te herstellen betreffende de ten onrechte toegepaste maximering van de omvang van de maatmanfunctie.

4. Namens appellant zijn in hoger beroep de in eerdere stadia van de procedure naar voren gebrachte grieven tegen de medische grondslag staande gehouden. Onder meer is wederom aangevoerd dat de verzekeringsartsen ten onrechte geen rekening hebben gehouden met het oordeel van de verzekeringsarts H. Schaap, die appellant heeft onderzocht in het kader van de toepassing van de toenmalige Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (hierna: Wet REA). Appellant doet stellen dat hij, gelet op het rapport van verzekeringsarts Schaap van 11 januari 2006, op onderdelen verdergaand beperkt is dan is aangenomen door de verzekeringsartsen die in het kader van de wet WIA hebben gerapporteerd.

5.1. Het Uwv heeft berust in de uitspraak van de rechtbank. Ter voorbereiding van het door het Uwv te nemen uitvoeringsbesluit is rapport uitgebracht door de bezwaararbeids-deskundige en de bezwaarverzekeringsarts. De bezwaararbeidsdeskundige heeft zich naar aanleiding van wat de rechtbank daarover heeft overwogen, nader op het standpunt gesteld dat de functies van telefonist/receptionist en van postbesteller dienen te vervallen. De functie van productiemedewerker textiel evenwel kan volgens de bezwaararbeids-deskundige als onderdeel van de schattingsgrondslag worden gehandhaafd, waartoe is opgemerkt dat in die functie productiepieken voorkomen gedurende circa een uur per week in totaal, in verband met planning en seizoenswerk. Dit is zeker niet veelvuldig te noemen, aldus de bezwaararbeidsdeskundige, en valt nog binnen de belastbaarheid van appellant.

5.2. Dit betekent dat nog drie geschikte functies resteren. De daaraan te ontlenen mediane loonwaarde leidt in vergelijking met het - wegens het komen te vervallen van de maximering van de maatman gecorrigeerde - maatgevende inkomen niet tot een ander schattingsresultaat, waarna bij het in rubriek I van deze uitspraak vermelde besluit van

26 februari 2008 het bezwaar tegen het besluit van 14 juni 2006 andermaal ongegrond is verklaard.

6.1. De Raad stelt in de eerste plaats vast dat het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 26 februari 2008, waarmee aldus niet geheel is tegemoet gekomen aan het beroep van appellant tegen het besluit van 19 januari 2007, met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb in de procedure dient te worden betrokken.

6.2. Wat betreft de in hoger beroep staande gehouden bezwaren tegen de medische grondslag van de schatting, overweegt de Raad dat hij zich geheel kan vinden in de overwegingen en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank. De Raad neemt die overwegingen en dat oordeel over.

6.3. Naar aanleiding van de ook in hoger beroep staande gehouden grief dat door de verzekeringsartsen ten onrechte geen rekening is gehouden met het hiervoor vermelde rapport van de verzekeringsarts Schaap, overweegt de Raad in aanvulling op de daarover door de rechtbank gegeven overwegingen dat, anders dan appellant stelt, uit dat rapport niet kan worden afgeleid dat Schaap appellant vanuit medisch oogpunt bezien anders of verdergaand beperkt acht dan waarvan de primaire verzekeringsarts en de bezwaar-verzekeringsarts zijn uitgegaan. De opmerkingen van de verzekeringsarts Schaap onder het kopje belastbaarheid ten aanzien van bepaalde soorten werkzaamheden zijn gemaakt - en moeten worden begrepen - binnen de context van de reïntegratie van appellant op de arbeidsmarkt waarover die verzekeringsarts diende te rapporteren.

6.4. Noch aan het rapport van de verzekeringsarts Schaap, noch aan de overige ter beschikking staande stukken kan worden ontleend dat appellant in objectief-medische zin verdergaand beperkt is te achten dan waarvan de primaire verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts zijn uitgegaan.

6.5. Verder overweegt de Raad dat hij zich niet kan vinden in de opvatting van de gemachtigde van appellant dat het aan het Uwv, gegeven het door de rechtbank over die functie gegeven oordeel, niet vrijstond om wederom de functie van productiemedewerker textiel aan de schatting ten grondslag te leggen. De Raad merkt in dit verband op dat de uitspraak van de rechtbank aldus dient te worden begrepen dat de rechtbank met betrekking tot die functie slechts heeft overwogen dat op basis van de op dat moment voorliggende gegevens niet voldoende inzichtelijk en daarom niet voldoende toetsbaar is of die functie binnen de medische mogelijkheden van appellant blijft. Tot het vellen van een verdergaand inhoudelijk oordeel over de al of niet passendheid van die functie is de rechtbank niet overgegaan. De uitspraak liet aan het Uwv aldus, anders dan appellant doet betogen, ruimte om op basis van een meer inzichtgevende motivering die functie wederom bij de schatting te betrekken.

6.6. De Raad is voorts van oordeel dat met de thans door het Uwv verstrekte nadere motivering, als vervat in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 17 september 2007, een voldoende inzichtelijke en naar zijn inhoud bezien ook deugdelijke onderbouwing is gegeven waarom die functie, ook in het licht van de voor appellant geldende beperking op het punt van het aangewezen zijn op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken, voor hem geschikt is te achten. De Raad heeft geen reden om in twijfel te trekken - van de zijde van appellant wordt dit overigens ook niet bestreden - dat in die functie slechts sporadisch, te weten hooguit gedurende een uur per week, sprake is van een productiepiek. De Raad verenigt zich met de zienswijze van de bezwaararbeidsdeskundige dat die frequentie niet valt binnen het begrip “veelvuldig”.

7. Op grond van de overwegingen 6.1 tot en met 6.6 komt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten - dat wil zeggen: voor zover deze betreft het door de rechtbank gegeven oordeel over de medische grondslag van de onderhavige schatting - dient te worden bevestigd. Tevens volgt uit deze overwegingen dat het besluit van 26 februari 2008 in rechte stand kan houden.

8. Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 26 februari 2008 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.J. van der Torn.

MH