Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI3542

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
12-05-2009
Zaaknummer
08-3709 WJZ + 08-3713 WJZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Raad is bevoegd, nu het hoger beroep is gericht tegen een uitspraak van de kinderrechter inzake een indicatiebesluit dat zijn grondslag vindt in de Wet op de jeugdzorg. Kinderrechter heeft ten onrechte een besluit niet bij beoordeling betrokken. Door besluiten die strekken tot het verlenen van zorg in het kader van de gezinsvoogdij op de negatieve lijst van de Awb te plaatsen, is bezwaar en beroep tegen dergelijke besluiten op grond van de Awb niet mogelijk. Tegen het door de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland, ambtshalve genomen indicatiebesluit ter uitvoering van toezichthoudende taak, staat geen beroep open. Stichting heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, zodat de kinderrechter het beroep tegen terecht ongegrond heeft verklaard.Is beroepsmatig rechtsbijstand verleend? Deze gemachtigde houdt zich bezig met het indienen van klachten op het gebied van jeugdzorg, en heeft concreet 2 zaken lopen. Hier is sprake van incidentele rechtshulp die niet als beroepsmatig verleende rechtsbijstand kan worden aangemerkt. De kinderrechter heeft daarom terecht geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2009, 83
USZ 2009/183
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3709 WJZ

08/3713 WJZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant 1] en [Appellant 2], beiden wonende te [woonplaats], (hierna: appellanten)

tegen de uitspraak van de kinderrechter als bestuursrechter van de rechtbank Arnhem van 21 juni 2007, 151579/JZ RK 07-8012 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellanten

en

Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland, gevestigd te Arnhem, (hierna: Stichting).

Datum uitspraak: 15 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft J. Hop hoger beroep bij de Raad van State ingesteld.

De Stichting heeft een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 4 juni 2008 heeft de Raad van State zich onbevoegd verklaard om van het hoger beroep kennis te nemen. De Raad van State heeft het hoger beroepschrift en de daarbij behorende stukken met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) doorgezonden aan de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nrs. 08/3647 en 08/3648 WJZ, plaatsgevonden op 4 maart 2009. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door Hop. De Stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.J.M. Schepens, advocaat te Arnhem. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten hebben een dochter, [naam dochter], geboren op 3 april 1997. [naam dochter] is door de kinderrechter bij beschikking van 12 april 2006 voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van de Stichting.

1.2. Bij brief van 21 november 2006 heeft de Stichting appellanten meegedeeld dat voor [naam dochter] een indicatie is afgegeven voor een ggz-behandeling en dat appellanten hierop vóór 27 november 2006 kunnen reageren. Een op 30 november 2006 gedateerde - maar niet ondertekende - indicatie is als bijlage bij de brief van 21 november 2006 gevoegd. Bij brief van 26 november 2006 hebben appellanten hiertegen bezwaar gemaakt.

1.3. Bij besluit van 30 november 2006 heeft de Stichting [naam dochter] geïndiceerd voor zorg in de vorm van een ggz-behandeling bestaande uit 12 contacturen. Appellanten hebben bij brief van 30 november 2006 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.4. Bij besluit van 3 januari 2007 (hierna: besluit 1) heeft M. Grol, de gezinsvoogd, het bezwaar van appellanten van 26 november 2006 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de indicatie van 30 november 2006 een concept-indicatiebesluit is waartegen geen bezwaar mogelijk is.

1.5. Bij besluit van 9 januari 2007 (hierna: besluit 2) heeft Grol het bezwaar van 30 november 2006 tegen het besluit van 30 november 2006 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat een indicatiebesluit in het kader van een ondertoezichtstelling op de negatieve lijst van de Awb is geplaatst, zodat hiertegen geen bezwaar mogelijk is.

2.1. Appellanten hebben tegen besluit 1 en besluit 2 beroep ingesteld.

2.2. In verband met het herstellen van een bevoegdheidsgebrek heeft de Stichting besluit 1 en besluit 2 ingetrokken en vervangen door twee besluiten van 28 maart 2007 (hierna: besluit 3 en besluit 4), die dezelfde strekking hebben als de besluiten 1 en 2.

3.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de kinderrechter als bestuursrechter (hierna: kinderrechter) het beroep tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe is overwogen dat het concept-indicatiebesluit is opgevolgd door een definitief indicatiebesluit en dat de bezwaarschriften van appellanten van 26 november 2006 en 30 november 2006 inhoudelijk gelijk zijn. Dientengevolge hebben appellanten volgens de kinderrechter geen belang meer bij de vraag of al dan niet sprake was van een concept-indicatiebesluit.

3.2. Het beroep tegen besluit 2 heeft de kinderrechter in de aangevallen uitspraak met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb mede gericht geacht tegen besluit 4. Omdat de Stichting besluit 2 heeft ingetrokken en niet is gebleken van een procesbelang bij beoordeling van het tegen besluit 2 ingestelde beroep, heeft de kinderrechter het beroep tegen besluit 2 niet-ontvankelijk verklaard.

3.3. Het beroep tegen besluit 4 heeft de kinderrechter ongegrond verklaard op de grond dat sprake is van een indicatiebesluit met betrekking tot een onder toezicht gestelde cliënt, zodat hiertegen, gelet op de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever en op de in artikel 8:5 van de Awb genoemde bijlage, geen beroep kan worden ingesteld. Omdat ingevolge artikel 7:1 van de Awb evenmin bezwaar kan worden gemaakt heeft de Stichting volgens de kinderrechter het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

De kinderrechter heeft aanleiding gezien om over te gaan tot een veroordeling in de proceskosten. De kinderrechter is echter niet gebleken van proceskosten op de grond dat geen sprake is van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb).

Ten slotte is in de aangevallen uitspraak een bepaling omtrent griffierecht gegeven.

4. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 29 april 2008, LJN BD1113 r.o. 4.2.4, stelt de Raad vast dat hij bevoegd is om van het onderhavige hoger beroep kennis te nemen, nu dit is gericht tegen een uitspraak van de kinderrechter inzake een indicatiebesluit dat zijn grondslag vindt in de Wet op de jeugdzorg (hierna: WJZ).

5.2. De Raad stelt voorts, ambtshalve, vast dat de kinderrechter in de aangevallen uitspraak zijn beoordeling ten onrechte - en in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb - heeft beperkt tot besluit 1, besluit 2 en besluit 4 en niet tevens, met toepassing van artikel 6:18 en 6:19 van de Awb, besluit 3 in zijn beoordeling heeft betrokken. De aangevallen uitspraak komt dan ook in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

5.3. De Raad is van oordeel dat, nu besluit 3 geheel in de plaats is gekomen van besluit 1 en niet gebleken is van een procesbelang van appellanten bij een beoordeling van besluit 1, het beroep van appellanten tegen besluit 1 in de aangevallen uitspraak terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De Raad is daarnaast met de kinderrechter van oordeel dat, aangezien het met de brief van 21 november 2006 aan appellanten toegezonden concept-indicatiebesluit is opgevolgd door het definitieve indicatiebesluit van 30 november 2006 en de bij brieven van 26 november 2006 en 30 november 2006 gemaakte bezwaren inhoudelijk gelijkluidend zijn, appellanten geen belang meer hebben bij beantwoording van de vraag of al dan niet sprake is van een concept-indicatiebesluit. Appellanten hebben derhalve geen procesbelang bij een beoordeling van hun beroep tegen besluit 3. Nu ook niet is gebleken van een ander procesbelang zal de Raad, doende wat de kinderrechter zou behoren te doen, het beroep tegen besluit 3 niet-ontvankelijk verklaren.

5.4. Met betrekking tot de vraag of de kinderrechter het beroep tegen besluit 4 terecht ongegrond heeft verklaard overweegt de Raad het volgende.

5.4.1. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de WJZ heeft een stichting die een bureau jeugdzorg in stand houdt, tot taak te bezien of een cliënt zorg nodig heeft in verband met opgroei-, opvoedings- of psychiatrische problemen, dan wel in verband met problemen van een cliënt, niet zijnde een jeugdige, die het onbedreigd opgroeien van een jeugdige belemmeren.

5.4.2. In artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de WJZ is bepaald dat tot de in artikel 5, eerste lid, van de WJZ bedoelde taak behoort het vaststellen of een cliënt is aangewezen op jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, of op zorg, bestaande uit bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen vormen van geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen waarop ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) dan wel ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet aanspraak bestaat.

5.4.3. Ingevolge artikel 9 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg, voor zover hier van belang, is als vorm van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder b, van de WJZ onder meer aangewezen behandeling als bedoeld in artikel 8 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ in verband met een psychiatrische aandoening of beperking, een gedragsprobleem of een psychisch of psychosociaal probleem, doch slechts voor zover deze zorg of het verblijf betrekking heeft op een jeugdige.

5.4.4. Artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg bepaalt dat de aanspraak op jeugdzorg ingevolge de WJZ jeugdhulp, verblijf en observatiediagnostiek omvat.

5.4.5. Artikel 3, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg definieert jeugdhulp als de behandeling of begeleiding van een:

a. jeugdige, gericht op het oplossen, verminderen of voorkomen van verergering dan wel het omgaan met de gevolgen van zijn psychosociale, psychische of gedragsproblemen;

b. cliënt, niet zijnde een jeugdige, gericht op het verkrijgen van zodanige vaardigheden dat hij aan de onder a bedoelde psychosociale, psychische of gedragsproblemen in het gezin het hoofd kan bieden.

5.4.6. In artikel 6, eerste en tweede lid, van de WJZ zijn nadere bepalingen opgenomen over de inhoud van een besluit als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de WJZ.

5.4.7. Artikel 7, eerste lid, van de WJZ bepaalt dat aan een besluit waarbij wordt vastgesteld of een cliënt is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, een aanvraag van een cliënt ten grondslag ligt. Ingevolge artikel 7, zesde lid, aanhef en onder a, van de WJZ kan de stichting, in afwijking van het eerste lid, een besluit nemen zonder een aanvraag daartoe, indien verlening van zorg noodzakelijk is ter uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a tot en met d, van de WJZ.

5.4.8. Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de WJZ heeft de stichting tot taak het, met uitsluiting van andere rechtspersonen en onverminderd artikel 254, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), uitoefenen van de taak, genoemd in artikel 257 van Boek 1 van het BW.

5.4.9. In artikel 257, eerste lid, van Boek 1 van het BW is bepaald dat de stichting, bedoeld in artikel 1, aanhef en onder f, van de WJZ toezicht houdt op de minderjarige en zorgt dat aan de minderjarige en de met het gezag belaste ouder hulp en steun worden geboden teneinde de bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van de minderjarige af te wenden.

5.4.10. Ingevolge artikel 8:5, eerste lid, van de Awb en onderdeel H, onder 3, van de bijlage bij de Awb kan, voor zover hier van belang, geen beroep worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de WJZ en evenmin tegen een besluit als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de WJZ voor zover dit besluit is genomen ter uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de WJZ.

Door besluiten die strekken tot het verlenen van zorg in het kader van de gezinsvoogdij op de negatieve lijst van de Awb te plaatsen, is bezwaar en beroep tegen dergelijke besluiten op grond van de Awb niet mogelijk. Blijkens de wetsgeschiedenis acht de wetgever voldoende rechtsbescherming aanwezig, omdat de schriftelijke aanwijzing van de stichting in het kader van de ondertoezichtstelling, die een cliënt verplicht zorg te aanvaarden, kan worden getoetst door de kinderrechter (TK, 2002-2003, 28 168, nr. 10, blz. 34).

5.5. De Raad stelt vast dat de Stichting het indicatiebesluit van 30 november 2006 met toepassing van artikel 7, zesde lid, aanhef en onder a, van de WJZ ambtshalve genomen heeft ter uitvoering van zijn taak als toezichthouder als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de WJZ. Gelet op artikel 8:5, eerste lid, van de Abw en onderdeel H, onder 3, van de bijlage bij de Awb kan tegen dit besluit geen beroep worden ingesteld en kan hiertegen ingevolge artikel 7:1 van de Awb ook geen bezwaar worden gemaakt. Dit betekent dat de Stichting het bezwaar tegen het besluit van 30 november 2006 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, zodat de kinderrechter het beroep tegen besluit 4 terecht ongegrond heeft verklaard.

5.6. Met betrekking tot de proceskosten in beroep is de vraag in geschil of Hop beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Ter zitting van de Raad heeft hij desgevraagd verklaard dat hij zich bezighoudt met het indienen van klachten op het gebied van jeugdzorg, dat hij momenteel concreet drie zaken heeft waarin hij rechtshulp verleent, dat hij enkel de reiskosten vergoed krijgt en dat hij zich sinds twee maanden beraadt op de vraag wat hij verder met zijn arbeidzame leven wil gaan doen. Gelet op deze verklaring en gezien deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat sprake is van incidentele rechtshulp die niet als beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb kan worden aangemerkt. De kinderrechter heeft daarom terecht geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

5.7. Op grond van het onder 5.6 overwogene ziet de Raad ook in dit geding geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is nagelaten een oordeel te geven over besluit 3;

Verklaart het beroep tegen besluit 3 niet-ontvankelijk;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Bepaalt dat Bureaus Jeugdzorg Gelderland aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 april 2009.

(get.) R.M. van Male.

(get.) J. Waasdorp.

IJ