Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI3539

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2009
Datum publicatie
12-05-2009
Zaaknummer
07-3607 AOW + 07-3608 AOW + 07-3814 AOW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BO3635, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op AOW-pensioen wegens onverzekerde jaren. Korting op toeslag wegens onverzekerde jaren echtgenoot. Herziening toeslag wegens (niet gemeld) vervroegd ouderdomspensioen echtgenoot. Terugvordering, boete en invordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3607 AOW

07/3608 AOW

07/3814 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], Spanje (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 29 mei 2007, 05/3475 (hierna: aangevallen uitspraak 1), 04/1503 (hierna: aangevallen uitspraak 2) en 06/74 (hierna: aangevallen uitspraak 3)

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 16 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2009. De gedingen zijn gevoegd behandeld met de gedingen geregistreerd onder de nummers 07/3609 AOW en 08/3001 AOW waarin heden afzonderlijk uitspraak wordt gedaan. Appellante is niet verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam echtgenoot], haar echtgenoot. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1 Appellante is op 15 februari 1937 in Duitsland geboren en in november 1958 naar Nederland verhuisd. Zij is in Nederland werkzaam geweest tot januari 1991, waarna aan haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is toegekend, samen met een invaliditeitspensioen. Appellante en haar echtgenoot zijn in februari 1997 naar Spanje verhuisd.

2.1. Op haar aanvraag om een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) heeft de Svb appellante bij besluit van 18 maart 2003 laten weten dat zij, met ingang van februari 2002, recht heeft op een AOW-pensioen waarop een korting van 22% wordt toegepast wegens elf niet-verzekerde jaren. Op de haar eveneens toegekende toeslag is een korting van 8% toegepast, wegens vier niet verzekerde jaren van haar echtgenoot.

2.2. Het hiertegen ingediende bezwaar is bij besluit op bezwaar van 26 augustus 2003 (hierna: bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Hierbij heeft de Svb overwogen dat appellante bezwaar heeft gemaakt tegen het feit dat voor haar geen AOW-verzekering is aangenomen over de periode februari 1997 tot 1 januari 2000. Met betrekking tot deze periode is de Svb van mening dat appellante weliswaar in het genot was van een WAO-uitkering, maar dat zij op grond van artikel 8, derde lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring van verzekerden volksverzekeringen 1989 (KB 164) niet verzekerd was, aangezien zij vanaf 1 februari 1996 een Duits invaliditeitspensioen ontving.

2.3. De rechtbank is in aangevallen uitspraak 2 tot het oordeel gekomen dat appellante gedurende twee periodes niet verzekerd is geweest. De periode vóór 1 januari 1957, omdat appellante niet voldoet aan de voorwaarden om voor de zogeheten overgangsvoordelen in aanmerking te komen en de periode van 27 februari 1997 tot 14 februari 2002 omdat appellante niet voldoet aan de voorwaarden van KB 164 (en van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746)) om als verplicht verzekerd aangemerkt te worden. Aangezien de Svb deze periodes terecht als niet-verzekerde periodes heeft aangemerkt, heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3.1. Bij besluit van 3 februari 2005 heeft de Svb de aan appellante toegekende toeslag AOW met ingang van februari 2002 herzien wegens inkomsten van haar echtgenoot. Deze inkomsten zijn over de periode februari 2002 tot en met januari 2005 volledig gekort op de toeslag van appellante.

3.2. Het tegen dit besluit ingediende bezwaar is bij besluit op bezwaar van 10 juni 2005 (hierna: bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Daarbij heeft de Svb overwogen dat hij verplicht is de toeslag te herzien als deze niet juist is vastgesteld als gevolg van het verstrekken van onjuiste inlichtingen door de pensioengerechtigde. Appellante heeft noch bij de aanvraag AOW-pensioen, noch bij latere Inkomensopgaveformulieren melding gemaakt van enig inkomen van haar echtgenoot. Uit het onderzoek van de Svb is echter gebleken dat haar echtgenoot sinds 1 november 2000 een vervroegd ouderdomspensioen geniet van de Stichting Shell Pensioenfonds. De stelling van appellante dat dit inkomen niet gemeld behoefde te worden omdat het niet onderhevig was aan de Nederlandse belastingwetgeving is verworpen. Evenmin zijn er dringende redenen aanwezig geacht om geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien.

3.3. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak 1 tot het oordeel gekomen dat het inkomen van de echtgenoot van appellante aangemerkt moet worden als inkomen in verband met arbeid als bedoeld in artikel 7 van het Inkomensbesluit AOW. Daarbij is niet relevant of dit inkomen onderhevig was aan de Nederlandse belastingwetgeving. Appellante heeft dit inkomen niet gemeld bij de Svb. De rechtbank ziet geen redenen het bestreden besluit voor onjuist te houden.

4.1. De in overweging 3.1 genoemde herziening heeft geleid tot het besluit van 28 juli 2005 waarin de Svb van appellante een bedrag van € 13.421,20 aan te veel betaalde AOW-toeslag heeft teruggevorderd. Tevens is aan appellante een boete van € 1.243,-- opgelegd omdat zij het vragenformulier inkomen niet naar waarheid heeft ingevuld. Met het besluit van 4 augustus 2005 heeft de Svb appellante medegedeeld dat het terug te vorderen bedrag in maandelijkse termijnen van € 200,-- wordt verrekend met haar AOW-pensioen. Mocht het beroep tegen de verschillende besluiten ongegrond worden verklaard, dan moet appellante de restschuld in een jaar voldoen.

4.2. Bij besluit op bezwaar van 23 december 2005 (hierna: bestreden besluit 3) heeft de Svb het tegen deze besluiten ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft de Svb overwogen dat appellante geen dringende redenen heeft aangegeven, noch dat de Svb van dergelijke redenen is gebleken, om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Omdat appellante haar inlichtingenplicht met betrekking tot het inkomen van haar echtgenoot niet is nagekomen is de opgelegde boete eveneens terecht, waarbij de Svb nog heeft overwogen dat van verminderde verwijtbaarheid geen sprake is. Omtrent de wijze van invordering is overleg gepleegd met appellante en de afspraken daarover zijn in het besluit van 4 augustus 2005 neergelegd.

4.3. In aangevallen uitspraak 3 is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat, nu uit aangevallen uitspraak 1 blijkt dat de toeslag op het AOW-pensioen van appellante door haar schending van de verplichting tot het verstrekken van inlichtingen tot een te hoog bedrag is vastgesteld, de Svb gehouden was het onverschuldigd betaalde pensioen van appellante terug te vorderen. Ook het besluit tot oplegging van een boete en het besluit omtrent de wijze van invordering komen naar het oordeel van de rechtbank niet voor vernietiging in aanmerking.

5. In hoger beroep stelt appellante dat de situatie met betrekking tot het inkomen van haar echtgenoot niet is gewijzigd sinds de aanvraag AOW, zodat geen wijzigingen gemeld behoefden te worden en dat zij bij de aanvraag volledige openheid van zaken heeft gegeven. Tevens herhaalt appellante haar stelling dat het inkomen van haar echtgenoot niet onderhevig is aan de Nederlandse belastingwetgeving. Ten slotte verwijst appellante naar het arrest van Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 7 juli 2005, Van Pommeren-Bourgondiën, C-227/03 (LJN AU1322).

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1. Verzekerde jaren

6.1.1. De Raad stelt voorop dat in geding is de vraag of appellante in de periodes in geding verplicht verzekerd is geweest voor onder andere de AOW.

6.1.2. De Raad ziet in hetgeen door appellante is aangevoerd geen redenen om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Uit het systeem van de AOW volgt dat pas vanaf 1 januari 1957 verzekerde jaren kunnen worden opgebouwd. Uit de overgangsbepalingen, de artikelen 55 en 56 van de AOW (voorheen de artikelen 43 en 44), volgt dat personen, indien aan alle daaraan verbonden voorwaarden is voldaan, geacht worden vanaf hun 15e verjaardag tot 1 januari 1957 verzekerd te zijn geweest. Een van de in deze artikelen genoemde voorwaarden is dat betrokkene na de voleindiging van zijn 59ste levensjaar - al dan niet onafgebroken - zes jaren in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, heeft gewoond. Nu appellante aan deze voorwaarde niet voldoet, kan zij niet geacht worden verzekerd te zijn geweest vanaf haar 15e verjaardag tot 1 januari 1957.

6.1.3. Met betrekking tot de periode tussen het vertrek van appellante naar Spanje en haar 65ste verjaardag overweegt de Raad, met de rechtbank, dat appellante tot 1 januari 2000 niet op grond van het bepaalde in KB 164 en KB 746 verplicht verzekerd is geweest voor de AOW, aangezien zij in het genot was van een uitkering krachtens een buitenlandse wettelijke regeling in de zin van artikel 8, derde lid, van KB 164. Vanaf 1 januari 2000 is het toen van kracht zijnde, vergelijkbare, artikel 26 van KB 746 vervallen, zodat appellante vanaf die datum evenmin verplicht verzekerd was voor onder andere de AOW.

6.1.4. Het beroep van appellante op het arrest Van Pommeren-Bourgondiën kan niet tot het door appellante gewenste resultaat leiden. Als gevolg van dit arrest is tot stand gebracht het Besluit vrijwillige verzekering AOW en ANW voor in de Europese Unie wonende uitkeringsgerechtigden van 19 december 2005 (KB 720). Zoals uit de titel al blijkt ziet deze regeling op de mogelijkheid van vrijwillige verzekering. Aan KB 720 kunnen derhalve geen verzekerde jaren krachtens de verplichte verzekering worden ontleend.

6.1.5. Het is in dit verband niet van belang dat op de WAO-uitkering van appellante premies volksverzekeringen zijn ingehouden, ook in de periode vanaf februari 1997. Bepalend voor het aantal verzekerde jaren is de vraag of iemand verzekerd was, niet de vraag of iemand premies heeft betaald.

6.1.6. De Raad wijst er in dit verband nog op dat de Svb appellante in de gelegenheid heeft gesteld zich vrijwillig te verzekeren over het in geschil zijnde tijdvak, doch dat zij geen gebruik heeft gemaakt van dit aanbod.

6.1.7. Uit het voorgaande volgt dat aangevallen uitspraak 2 voor bevestiging in aanmerking komt.

6.2. Herziening toeslag

6.2.1. In dit geding is verder aan de orde de vraag of de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat de Svb op juiste gronden de toeslag op het AOW-pensioen van appellante heeft herzien.

6.2.2. De Raad ziet in het door appellante in hoger beroep aangevoerde geen gronden tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Noch uit het door appellante ingediende aanvraagformulier, noch uit de in latere jaren ingezonden Inkomstenformulieren blijkt dat appellante de Svb op de hoogte heeft gesteld van het inkomen van haar echtgenoot, bestaande uit het pensioen van Shell. De vraag of dit inkomen onderhevig is aan de Nederlandse of de Spaanse belastingwetgeving is niet van belang bij het antwoord op de vraag of haar echtgenoot inkomsten genoot. Nu appellante deze inkomsten niet heeft gemeld, heeft zij het gestelde in artikel 49 van de AOW geschonden, wat heeft geleid tot het ten onrechte dan wel tot een te hoog bedrag verlenen van ouderdomspensioen. Gezien artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder a, van de AOW was de Svb gehouden het AOW-pensioen van appellante te herzien. Nu appellante haar inlichtingenplicht heeft geschonden kon de Svb besluiten tot herziening met volledig terugwerkende kracht over te gaan. Dringende redenen om van herziening af te zien zijn door appellante niet gesteld en de Raad ook niet gebleken.

6.2.3. Aangevallen uitspraak 1 komt derhalve eveneens voor bevestiging in aanmerking.

6.3. Terugvordering, boete en invordering

6.3.1. Ook met betrekking tot dit geschilpunt komt de Raad tot dezelfde conclusie als de rechtbank. Zoals uit overweging 6.2.2 blijkt, is ook de Raad van oordeel dat de herziening van de toeslag met volledig terugwerkende kracht de rechterlijke toets kan doorstaan. Uit artikel 24, eerste lid, van de AOW volgt dat de Svb gehouden is deze onverschuldigd betaalde toeslag van appellante terug te vorderen. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat niet is gebleken van dringende redenen om geheel of ten dele van terugvordering af te zien. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat terugvordering zal leiden tot onaanvaardbare financiële of sociale gevolgen voor haar.

6.3.2. Artikel 17c, eerste lid, van de AOW schrijft bij het niet behoorlijk nakomen van de informatieverplichting van artikel 49 van de AOW in beginsel de oplegging van een boete voor, waarvan de hoogte wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de gedraging de pensioengerechtigde kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

6.3.3. De Raad is van oordeel dat de Svb terecht een boete heeft opgelegd op de grond dat appellante haar informatieverplichting heeft geschonden. Ingevolge artikel 17c, tweede lid, van de AOW worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid. Deze algemene maatregel van bestuur is het Boetebesluit socialezekerheidswetten waarin in artikel 2 is bepaald dat de boete wordt vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag, met dien verstande dat zij op ten minste € 45,-- wordt vastgesteld. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten wordt de boete die is berekend met toepassing van artikel 2 verhoogd of verlaagd indien de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden of de omstandigheden waarin belanghebbende verkeert, daartoe aanleiding geven.

6.3.4. Niet is gebleken van het ontbreken van verwijtbaarheid dan wel het aanwezig zijn van dringende redenen om af te zien van het opleggen van een boete. Nu de hoogte van de boete is berekend in overeenstemming met artikel 2 van het Besluit, kan de opgelegde boete naar het oordeel van de Raad in rechte stand houden.

6.3.5. Omtrent de wijze van invordering zijn door appellante geen grieven aangevoerd. De Raad ziet geen reden de wijze van invordering voor onjuist te houden.

6.3.6. Uit het voorgaande volgt dat ook aangevallen uitspraak 3 voor bevestiging in aanmerking komt.

7. Voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 april 2009.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) W. Altenaar.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

IA