Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI3523

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2009
Datum publicatie
12-05-2009
Zaaknummer
07-521 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het voor gedaagde opgestelde belastbaarheidspatroon onjuist is. Gedaagde was bij de aanvang van zijn werkzaamheden als technisch onderhoudsmedewerker ten gevolge van de voor hem geldende beperkingen ongeschikt voor dat werk. De Raad kan appellant niet volgen waar deze stelt dat gedaagde op grond van het bepaalde in artikel 18, eerste lid, van de WAO op de in geding zijnde datum niet arbeidsongeschikt was. Op grond van artikel 9, aanhef en onder a, van het op die datum toepasselijke Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, dient een dergelijke beoordeling plaats te vinden aan de hand van ten minste drie verschillende in Nederland uitgeoefende functies. Nu appellant voor gedaagde slechts twee geschikte functies kan aanwijzen, is een beoordeling op deze grondslag in strijd met genoemde bepaling. Nu ook bij de aanvang van gedaagdes verzekering ingevolge de WAO slechts twee functies waren aan te wijzen die door gedaagde konden worden vervuld, moet worden vastgesteld dat gedaagde op dat moment al volledig arbeidsongeschikt was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/183
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/521 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 december 2006, 06/1514 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.M.T van Diepen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2009. Partijen zijn - met kennisgeving - niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant is met ingang van 3 januari 2000 werkzaamheden als technisch onderhoudsmonteur gaan verrichten. Daaraan voorafgaand was hij enige jaren niet werkzaam geweest. Op 12 april 2000 heeft hij zijn werkzaamheden in verband met psychische klachten gestaakt. Appellant heeft vervolgens bij het Uwv een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

1.3. Bij besluit van 29 maart 2001 heeft het Uwv geweigerd appellant een uitkering ingevolge de WAO toe te kennen. Het Uwv heeft daartoe overwogen dat appellant op 10 april 2001 gedurende 52 weken arbeidsongeschikt is geweest en dat zijn arbeidsongeschiktheid in aansluiting op deze periode minder dan 15% bedraagt, nu hij met zijn medische beperkingen en zijn bekwaamheden arbeid kan verrichten waarmee hij meer dan 85% kan verdienen van hetgeen de aan hem gelijksoortige gezonde persoon zou kunnen verdienen.

1.4. Bij besluit van 4 juni 2002 heeft het Uwv zijn besluit van 29 maart 2001 na bezwaar gehandhaafd. Dit besluit berust op het standpunt dat voor appellant beperkingen voor het verrichten van arbeid van toepassing zijn, die in gelijke mate bestonden bij de aanvang van zijn verzekering ingevolge de WAO op 3 januari 2000 als op de datum in geding, 11 april 2001 en dat appellant bij de aanvang van zijn werkzaamheden als technisch onderhoudsmedewerker reeds ongeschikt was voor die arbeid. Zowel bij aanvang van zijn werkzaamheden als op de datum in geding was appellant wel geschikt voor de functies montagemedewerker en champignonkweker zodat zijn arbeidsongeschiktheid niet met ten minste 15% is afgenomen.

1.5. De rechtbank heeft bij uitspraak van 24 december 2003 (02/3171) het beroep van appellant tegen het besluit van 4 juni 2002 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van appellant te nemen. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld indien het Uwv van oordeel is dat het werk waarvoor appellant is uitgevallen niet passend is en hij reeds bij aanvang van de verzekering beperkingen heeft, de mate waarin dit reeds bij aanvang van de verzekering tot verlies aan verdiencapaciteit leidt door middel van een medische en een arbeidskundige beoordeling, zoals voorgeschreven in het Schattingsbesluit, dient te worden vastgesteld. Als maatman dient hierbij de gezonde persoon te worden genomen. Vervolgens dient het Uwv conform artikel 18, tweede lid, van de WAO ook bij einde wachttijd een medische en een arbeidskundige beoordeling uit te voeren om het verlies aan verdiencapaciteit van appellant ten opzichte van die bij aanvang van de verzekering te bepalen. Daarbij dient als maatman de gedeeltelijke arbeidsongeschikte te worden genomen. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat de toepassing door het Uwv van artikel 30, eerste lid en onder a, van de WAO als subsidaire weigeringsgrond, gelet op het feit dat het gaat om een discretionaire bevoegdheid, onvoldoende is gemotiveerd.

1.6. Het Uwv heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

1.7. In zijn uitspraak van 27 januari 2006 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 24 december 2003 bevestigd. Daarbij heeft de Raad het volgende overwogen, waarbij voor gedaagde appellant en voor appellant het Uwv moet worden gelezen:

“Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het voor gedaagde opgestelde belastbaarheidspatroon onjuist is. Met appellant en de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat dit belastbaarheidspatroon zowel bij de aanvang van gedaagdes verzekering ingevolge de WAO op 3 januari 2000 als op de in geding zijnde datum 11 april 2001 van kracht was. De namens gedaagde betrokken stelling dat gedaagdes psychische toestand ernstig is verslechterd door een voorval in maart 2000 heeft de Raad niet tot een ander inzicht kunnen brengen, nu hier tegenover een veelheid van medische gegevens staat die erop wijst dat bij gedaagde al enige jaren sprake was van (ernstige) psychische klachten.

Voorts is de Raad met appellant en de rechtbank van oordeel dat gedaagde bij de aanvang van zijn werkzaamheden als technisch onderhoudsmedewerker ten gevolge van de voor hem geldende beperkingen ongeschikt was voor dat werk.

De Raad kan appellant evenwel niet volgen waar deze stelt dat gedaagde op grond van het bepaalde in artikel 18, eerste lid, van de WAO op de in geding zijnde datum niet arbeidsongeschikt was. Op grond van artikel 9, aanhef en onder a, van het op die datum toepasselijke Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, dient een dergelijke beoordeling plaats te vinden aan de hand van ten minste drie verschillende in Nederland uitgeoefende functies. Nu appellant voor gedaagde slechts twee geschikte functies kan aanwijzen, is een beoordeling op deze grondslag in strijd met genoemde bepaling.

Op het moment van aanvang van gedaagdes verzekering was het Schattingsbesluit WAO, Waz en Wajong van toepassing. Ook in artikel 4 van dat besluit is bepaald dat bij een beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van een verzekerde ten minste drie functies in aanmerking worden genomen. Nu ook bij de aanvang van gedaagdes verzekering ingevolge de WAO slechts twee functies waren aan te wijzen die door gedaagde konden worden vervuld, moet worden vastgesteld dat gedaagde op dat moment reeds volledig arbeidsongeschikt was.

De weigering van een uitkering ingevolge de WAO met ingang van 11 april 2001 kan derhalve slechts berusten op artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van die wet. Met de rechtbank stelt de Raad vast dat het hier een discretionaire bevoegdheid van appellant betreft en dat appellant niet nader heeft gemotiveerd op welke wijze van deze bevoegdheid gebruik is gemaakt. Een weigering op deze grondslag kan derhalve wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb evenmin stand houden.”.

1.8. Bij besluit van 5 april 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 maart 2001 opnieuw ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv aangegeven gebruik te maken van de in artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO gegeven bevoegdheid om de bij aanvang van de WAO-verzekering van appellant op 3 januari 2000 bestaande volledige arbeidsongeschikt blijvend geheel buiten aanmerking te laten. Daarbij is aangegeven dat indien appellant bij de aanvang van de verzekering medisch goed onderzocht zou zijn vast was komen te staan dat appellant niet nauw met collega’s kan samenwerken hetgeen in de functie bij Maatwerk juist aan de orde is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 5 april 2006 ongegrond verklaard en geoordeeld dat het Uwv het gebruik van de bevoegdheid om de algehele arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking te laten afdoende heeft gemotiveerd.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. De Raad stelt voorop dat - gelet ook op de door het Uwv in dit soort gevallen gehanteerde beleidsregels - de motivering van het bestreden besluit kennelijk aldus verstaan moet worden dat appellant de arbeidsongeschiktheid wellicht niet had kunnen verwachten, maar dat die vastgesteld zou zijn indien appellant vóór aanvang van het dienstverband zou zijn gekeurd. Met inachtneming van het feit dat appellant voorafgaand aan de indiensttreding bij Maatwerk jarenlang niet aan de arbeidsmarkt heeft deelgenomen en de uitval na iets meer dan drie maanden heeft plaatsgevonden kan de Raad zich met het bestreden besluit en het oordeel van de rechtbank verenigen. In het verweerschrift in hoger beroep heeft het Uwv de motivering nog aangevuld met de vaststelling dat appellant - gelet op zijn gezondheidstoestand bij aanvang van de verzekering - uitval had kunnen verwachten. De Raad ziet voor dit standpunt ook steun in gedingstukken.

4.3. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 april 2009.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) W. Altenaar.

IJ