Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI3467

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2009
Datum publicatie
11-05-2009
Zaaknummer
07-3048 WWB + 09-2438 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand. Woonkostentoeslag. Aangezien betrokkene gedurende de hier te beoordelen periode huursubsidie ontving, stond artikel 15, eerste lid, van de WWB dan ook in beginsel aan het verlenen van bijstand in de weg. De Raad voegt daarom nog toe dat het enkele feit dat een eerder verstrekte uitkering later wordt teruggevorderd dit niet anders maakt, aangezien een terugvordering onverlet laat dat betrokkene over de betreffende periode over de huursubsidie kon beschikken. Evenmin levert dit zeer dringende redenen op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3048 WWB

09/2438 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 april 2007, 06/2434, zoals verbeterd bij uitspraak van 2 mei 2007 onder dat nummer (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 28 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft J.H. van Blitterswijk, sociaal raadsvrouw te Lelystad, een verweerschrift ingediend.

Op 3 maart 2009 heeft appellant een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Hoekstra, werkzaam bij de gemeente Lelystad. Betrokkene is verschenen, met bijstand van mevrouw Van Blitterswijk.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene ontvangt sinds 27 september 2004 bijstand. Zij ontving ook huursubsidie. Haar toenmalige echtgenoot had met ingang van 7 juni 2005 als vreemdeling niet langer rechtmatig verblijf in Nederland. In verband daarmee is de huursubsidie over de periode 1 juli 2005 tot 1 januari 2006 herzien en van betrokkene teruggevorderd.

1.2. Op 6 december 2005 heeft betrokkene een aanvraag gedaan om bijzondere bijstand, waaronder een woonkostentoeslag voor de periode 1 juli 2005 tot 1 januari 2006.

1.3. Bij besluit van 3 oktober 2006 heeft appellant in bezwaar gehandhaafd zijn besluit van 23 februari 2006 tot afwijzing van de aangevraagde woonkostentoeslag. Appellant heeft dat besluit gemotiveerd met de overweging dat er sprake was van onvoldoende besef van verantwoordelijkheid, namelijk daarin gelegen dat de toenmalige echtgenoot van betrokkene te laat een aanvraag om verlenging van zijn verblijfvergunning had gedaan, waardoor een aanspraak op een voorliggende voorziening, de huursubsidie, verloren was gegaan. Verder is overwogen dat door terugvordering van huursubsidie sprake is van een schuld, waarvoor ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet werk en bijstand (WWB) geen bijstand wordt verleend en dat een dringende reden als bedoeld in artikel 47 van de WWB om hiervan af te wijken, ontbreekt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het besluit van 3 oktober 2006 vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing te nemen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het standpunt van appellant dat betrokkene onvoldoende besef van verantwoordelijkheid had getoond, bij gebreke van stukken omtrent de verblijfsrechtelijke procedure van de toenmalige echtgenoot, niet berustte op een voldoende zorgvuldig onderzoek naar de relevante feiten en niet draagkrachtig was gemotiveerd. Verder heeft de rechtbank overwogen dat niet verzocht was om bijzondere bijstand voor een schuld, maar ter bestrijding van woonkosten, en dat daarom artikel 13 van de WWB toepassing mist.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

3.1. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant bij het in rubriek I genoemde besluit op bezwaar van 3 maart 2009 aan betrokkene alsnog een bedrag van € 1.669,47 voor woonkosten toegekend over de periode 1 juli 2005 tot 1 januari 2006.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.

4.2. Naar het oordeel van de Raad is de huursubsidie aan te merken als een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor betrokkene toereikend en passend te zijn. Aangezien betrokkene gedurende de hier te beoordelen periode huursubsidie ontving, stond artikel 15, eerste lid, van de WWB dan ook in beginsel aan het verlenen van bijstand in de weg. De Raad voegt daarom nog toe dat het enkele feit dat een eerder verstrekte uitkering later wordt teruggevorderd dit niet anders maakt, aangezien een terugvordering onverlet laat dat betrokkene over de betreffende periode over de huursubsidie kon beschikken.

4.3. Artikel 16, eerste lid, van de WWB biedt de mogelijkheid om, in afwijking van artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de WWB, niettemin bijstand te verlenen indien, gelet op alle omstandigheden, zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Blijkens de memorie van toelichting dient in een dergelijk geval vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is.

4.4. De Raad ziet in de terugvordering van de huursubsidie geen zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB.

4.5. Uit het vorenstaande volgt dat bij het besluit van 3 oktober 2006 terecht de aanvraag is afgewezen. Ten onrechte is dat besluit door de rechtbank vernietigd, zodat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

5. Uit het onder 4.3 overwogene volgt dat de grondslag aan het besluit van 3 maart 2009 ter uitvoering van de aangevallen uitspraak komt te ontvallen. Dit besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 3 oktober 2006 ongegrond;

Vernietigt het besluit van 3 maart 2009.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en R. Kooper en O.L.H.W.I. Korte als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 april 2009.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) J. Waasdorp.

NK