Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI3391

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
12-05-2009
Zaaknummer
08-3815 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De Raad kan zich niet verenigen met de opvatting van appellante dat door het Uwv in strijd is gehandeld met de in de artikelen 3 en 4 van het Schattingsbesluit gecodificeerde richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium (MAOC). Geen redenen om meer beperkingen aan te nemen. De Raad kan de bezwaarverzekeringsarts volgen in diens overweging dat, nu het neuropsychologisch onderzoek behoudens ten aanzien van volgehouden aandacht (eentonige handelingen) geen afwijkingen laat zien en de aandachtsflexibiliteit en de trial and error test normaal waren, het aspect aandacht daarmee in de FML terecht niet beperkt is geacht. De Raad kan appellante niet volgen in haar stelling dat de verzekeringsartsen de voorheen aangenomen urenbeperking in strijd met de Standaard verminderde arbeidsduur hebben laten vervallen. Appellante is in staat geacht door de bezwaararbeidsdeskundige voorgehouden functies te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3815 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 mei 2008, 06/8727 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.R. Beukema, werkzaam bij Juricon adviesgroep b.v., te Assen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2009. Voor appellante is verschenen Beukema voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M.W. Beers.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

2. Bij besluit op bezwaar van 9 oktober 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv de aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, met ingang van 21 februari 2006 herzien naar 35 tot 45%.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, kort samengevat, geen aanleiding gezien het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten en evenmin aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat het medisch oordeel van de verzekeringsartsen onjuist zou zijn. Aangaande de door appellante overgelegde neurologische en neuropsychologische rapportages overweegt de rechtbank dat de bezwaarverzekeringsarts met voorbijgaan aan deze rapportages de conclusies van de verzekeringsarts mocht onderschrijven. Dat de bezwaarverzekeringsarts appellante niet zelf heeft onderzocht, kan het Uwv niet worden tegengeworpen, nu appellante tot tweemaal toe zonder opgaaf van redenen niet is verschenen op het spreekuur van de bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat de bezwaararbeidsdeskundige afdoende heeft gemotiveerd dat de belasting van de functies die voor appellante geschikt zijn bevonden, in overeenstemming is met de belastbaarheid van appellante zoals door de verzekeringsartsen omschreven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).

4. Het hoger beroep is gericht tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit. Appellante heeft tegen de aangevallen uitspraak gronden van medische en arbeidskundige aard aangevoerd en haar standpunt met diverse stukken gedocumenteerd. In de bezwaarfase heeft appellante een rapport van de psycholoog drs. M.H. Krijgsveld van 13 april 2006 overgelegd, in de beroepsfase gevolgd door een rapport van de neuroloog J. de Graaf van 14 januari 2008.

5. Het Uwv heeft zijn standpunt gehandhaafd, met verwijzing naar rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige.

6.1. De Raad overweegt als volgt.

6.2. De Raad kan zich niet verenigen met de opvatting van appellante dat door het Uwv in strijd is gehandeld met de in de artikelen 3 en 4 van het Schattingsbesluit gecodificeerde richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium (MAOC). In de richtlijn is nadrukkelijk aansluiting gezocht bij de vaste jurisprudentie van de Raad inzake het wettelijk arbeidsongeschiktheidsbegrip, dat aldus dient te worden uitgelegd dat van arbeidsongeschiktheid slechts sprake is als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten. Voor zover appellante betoogt dat onder de werking van de richtlijn MAOC niet langer de eis geldt dat beperkingen, willen die tot uitkering kunnen leiden, aantoonbaar dienen te berusten op ziekte of gebrek, berust dat betoog op een onjuist uitgangspunt. Het oordeel dat de Raad in zijn uitspraak van 3 oktober 2008 (LJN BF6777) over een vergelijkbaar betoog heeft gegeven, geldt evenzeer in de onderhavige zaak.

6.3. De Raad is tot het oordeel gekomen dat in de rapporten van Krijgsveld en De Graaf geen reden is gelegen om meer beperkingen aan te nemen voor appellante dan al in de FML zijn neergelegd.

6.4. Uit de rechtspraak van de Raad volgt dat de bevindingen van een neuropsycholoog en de bij neuropsychologisch onderzoek vastgestelde cognitieve tekorten op zichzelf betekenis kunnen hebben voor de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid. Daarvoor is echter wel vereist dat die bevindingen en cognitieve tekorten op grond van een medisch-specialistisch rapport kunnen worden herleid naar medisch vastgestelde stoornissen. De bevindingen en cognitieve tekorten moeten een logisch en consistent verband houden met beperkingen voortvloeiend uit eigenschappen die zijn aan te merken als ziekte of gebrek op neurologisch of psychiatrisch gebied. De Raad verwijst ook in dit verband naar zijn uitspraak van 3 oktober 2008 (LJN BF6777), waarin onder meer is gewezen op zijn uitspraak van 31 augustus 1993 (RSV 1994, 26). In zijn uitspraken van 23 maart 2007 (LJN BA1544) en van 17 oktober 2008 (LJN BG1405), waarop appellante zich beroept, heeft de Raad geen andere uitgangspunten gehanteerd.

6.5. De verzekeringsarts heeft bij appellante een status na trauma capitis, psychische klachten op basis van stress (in remissie) en chronische bronchitis gediagnosticeerd. In de FML zijn beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren, aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische en statische handelingen en werktijden opgenomen. De eerder aangenomen urenbeperking heeft de verzekeringsarts laten vervallen. De Raad kan de bezwaarverzekeringsarts volgen in diens overweging dat, nu het neuropsychologisch onderzoek behoudens ten aanzien van volgehouden aandacht (eentonige handelingen) geen afwijkingen laat zien en de aandachtsflexibiliteit en de trial and error test normaal waren, het aspect aandacht daarmee in de FML terecht niet beperkt is geacht. Er is geen afwijking geconstateerd ten aanzien van meer complexe handelingen. Daarnaast merkt de bezwaarverzekeringsarts op dat het aspect aandacht in de proefopstelling van het neuropsychologisch onderzoek die van intensieve aard is, waar in de werksituatie en zeker in de geduide functies geen sprake van is. Naar aanleiding van de opmerking van de psycholoog dat het onderzoek aanwijzingen geeft dat appellante een schedelbasisfractuur moet hebben gehad, merkt de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad terecht op dat de onderzoeker zich eerst op de hoogte dient te stellen van de neurologische bevindingen en vervolgens de resultaten van het neuropsychologisch onderzoek in samenhang met deze bevindingen dienen te worden beoordeeld. Dit uitgangspunt is overigens ook weergegeven in het door appellante in het geding gebrachte stuk “Het neuropsychologisch onderzoek”, opgesteld door de werkgroep neurologie-neuropsychiatrie, ingesteld door de commissie forensische neurologie van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie en de Nederlandse Vereniging voor Neuropsychologie.

6.6. Het commentaar van de klinisch psycholoog W.D. van der Zwaag van 11 maart 2009, overgelegd door appellante, werpt geen ander licht op de belastbaarheid van appellante. Zijn visie dat het bij appellante geconstateerde tekort in de volgehouden aandacht betekent dat zij minder goed in staat bleek om bij een betrekkelijk prikkelarme taak haar concentratie op voldoende niveau te houden, ligt naar het oordeel van de Raad in de lijn van de interpretatie van de uitkomst van het neuropsychologisch onderzoek op dit punt door de bezwaarverzekeringsarts, zoals onder 6.5 weergegeven. Wat er ook zij van dit tekort, de Raad stelt vast dat dit niet in de weg behoeft te staan aan het verrichten van de appellante voorgehouden functies, nu de bezwaarverzekeringsarts heeft vastgesteld dat in deze functies geen eentonige handelingen aan de orde zijn.

6.7. De Raad kan zich voorts verenigen met het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts op het rapport van de neuroloog De Graaf, inhoudende dat het onderzoek zich met name richt op de anamnese van appellante en dat de stelling van onderzoeker dat de aard van het letsel destijds na het ongeval in 1990 duidelijk ernstiger moet zijn geweest niet medisch objectief is onderbouwd. Nu de neuroloog op grond van dit aangenomen zwaardere letsel tot een andere weging van de posttraumatische klachten komt, komt daarmee ook de waarde van het neuropsychologisch onderzoek op losse schroeven te staan.

6.8. De verwijzing door appellante naar de Inleiding bij de verzekeringsgeneeskundige protocollen, bijlage 5 van de Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten van 31 januari 2006 (Stcrt. 2006, 33, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2008, 232, hierna: de Regeling) gaat niet op. Deze bijlage is volgens de Wijziging van de Regeling van 1 mei 2007 (Stcrt. 2007, 122) eerst met ingang van 1 juli 2007 aan de Regeling toegevoegd, zodat deze op de datum hier in geding – 21 februari 2006 – nog niet van toepassing was.

6.9. De verwijzing door appellante naar de verzekeringsgeneeskundige protocollen Chronische-vermoeidheidssyndroom (CVS) en Beroerte gaat evenmin op. Van een CVS dan wel een beroerte is in het geval van betrokkene geen sprake. Bovendien maakt de verzekeringsarts op grond van artikel 3, eerste lid, van de Regeling eerst met ingang van 1 januari 2008 van deze protocollen gebruik. Deze protocollen waren op de datum die hier ter beoordeling staat – 21 februari 2006 – dus nog niet van toepassing. Hetzelfde geldt voor het verzekeringsgeneeskundig protocol Whiplash associated disorder I/II, dat op 1 april 2009 in werking is getreden.

6.10. Tot slot kan de Raad appellante niet volgen in haar stelling dat de verzekeringsartsen de voorheen aangenomen urenbeperking in strijd met de Standaard verminderde arbeidsduur hebben laten vervallen. De verzekeringsarts heeft wat de werktijden betreft een beperking aangenomen voor nachtdiensten en wisselende diensten. Voor een urenbeperking ontbrak naar zijn oordeel een duidelijke objectiveerbare reden. Deze motivering is weliswaar summier, anderzijds heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat zij voldoet aan de criteria van de Standaard verminderde arbeidsduur. De neuroloog De Graaf geeft een beperking aan tot gemiddeld ongeveer zes uur per dag en 20 uur per week vanwege de door hem aangenomen beperking op de volgehouden aandacht. Nu de Raad zich verenigt met het standpunt van het Uwv dat terecht geen beperking is aangenomen op het aspect concentreren van de aandacht, kan het standpunt van de neuroloog De Graaf over de urenbeperking niet worden gevolgd.

6.11. Hetgeen appellante voorts nog heeft aangevoerd over de medische grondslag van het bestreden besluit kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden.

7. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit ziet de Raad geen reden het oordeel van de rechtbank dat appellante per 21 februari 2006 in staat was te achten de haar door de bezwaararbeidsdeskundige voorgehouden functies te vervullen voor onjuist te houden. Het betreft de functies schadecorrespondent (sbc-code 516080), telefonist, receptionist (sbc-code 315120) en bezorger kranten, tijdschriften (sbc-code 111230). De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige in het rapport van 6 maart 2007 deugdelijk en in overeenstemming met de daaraan in de jurisprudentie van de Raad gestelde eisen heeft gemotiveerd dat de functiebelasting de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt en dat de functies voor appellante geschikt zijn te achten. In het rapport van 18 september 2007 is een andere bezwaararbeidsdeskundige ingegaan op het commentaar van appellante op de functies, hetgeen leidt tot een bevestiging van het oordeel van de eerstgenoemde bezwaararbeidsdeskundige.

8. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag berust. De aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

9. De Raad ziet geen reden voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 april 2009.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) E.M. de Bree.

TM