Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI3132

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2009
Datum publicatie
07-05-2009
Zaaknummer
07-7110 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Raad ziet anders dan de rechtbank in het rapport werknemersfraude voldoende feitelijke grondslag voor de schorsing en de intrekking van de Wajong-uitkering. Betrokkene woont sinds juli 2003 in Turkije. Betrokkene heeft niet met nadere objectieve medische gegevens onderbouwd dat zij voor haar verzorging volledig afhankelijk is van derden. Geen toepassing van de hardheidsclausule. Terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/7110 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 november 2007, 05/5196 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene], wonende te Turkije (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 16 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft M. Köse een verweerschrift ingediend en vervolgens nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2009. Namens appellant zijn verschenen I. Eijkhout, llb en mr. M.C.F.M. Mollee. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan betrokkene is met ingang van 12 februari 2000 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toegekend, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%.

1.2. Bij brief van 6 november 2003 heeft betrokkene appellant verzocht haar toestemming te verlenen zich met behoud van uitkering in Turkije te mogen vestigen.

1.3. Bij besluit van 5 februari 2004 heeft appellant geweigerd betrokkene toestemming te verlenen om met behoud van uitkering definitief terug te keren naar haar geboorteland Turkije.

1.4. Bij brief van 10 juni 2004 heeft betrokkene aan appellant meegedeeld zich in Turkije bij haar ouders te willen vestigen. Dit schrijven is gevolgd door een brief van 5 juli 2004, waarin betrokkene meedeelt dat zij vooralsnog niet voornemens is zich definitief in Turkije te vestigen.

1.5. Bij besluit van 22 juni 2005 heeft appellant de uitkering van betrokkene met ingang van 1 juli 2005 geschorst op grond van het vermoeden dat zij hierop geen recht meer heeft.

1.6. Bij besluit van 18 juli 2005 heeft appellant de uitkering van betrokkene met ingang van 1 augustus 2003 beëindigd op de grond dat zij zich in het buitenland heeft gevestigd. Bij besluit van 19 juli 2005 heeft appellant de onverschuldigd betaalde uitkering over de periode 1 augustus 2003 tot en met 30 juni 2005 tot een bedrag van € 18.427,98 van betrokkene teruggevorderd.

1.7. Het door betrokkene ingediende bezwaar tegen de schorsings-, intrekkings- en terugvorderingsbeslissingen is bij besluit van 6 oktober 2005 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Uit onderzoek is het appellant gebleken dat betrokkene met ingang van juli 2003 buiten Nederland en in Turkije heeft verbleven. Niet gebleken is dat betrokkene voor verzorging afhankelijk is van haar ouders. Bovendien is niet aangetoond

dat haar vader genoodzaakt is geweest zich in verband met medische klachten in Turkije te vestigen.

2. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat de beschikbare gegevens onvoldoende grondslag vormen voor het standpunt van appellant dat betrokkene reeds op 31 augustus 2003 buiten Nederland is gaan wonen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant het bestreden besluit voorts onzorgvuldig voorbereid nu niet is gebleken dat informatie is opgevraagd bij de behandelend kinderarts en niet is onderzocht in welke mate sprake is van een zorgbehoefte van betrokkene. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

3. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden en aangevoerd dat na uitgebreid onderzoek is gebleken dat betrokkene sinds juli 2003 vrijwel zonder onderbreking bij haar ouders in Turkije heeft verbleven. Voorafgaande aan het onderzoek is bij herhaling onjuiste informatie verstrekt over de verblijfplaats van betrokkene. Betrokkene heeft, terwijl zij al in Turkije verbleef, herhaaldelijk verzocht zich in Turkije te mogen vestigen en daaruit blijkt de wil van betrokkene zich blijvend in Turkije te vestigen. Tevens wijst appellant op de onderzoeken die in het verleden zijn verricht door verzekeringsartsen en waarbij is geconstateerd dat de zelfredzaamheid van betrokkene van dien aard is dat geen medische noodzaak bestaat voor verzorging en oppassing. Er zijn geen aanwijzingen dat de klachten van betrokkene sinds de laatste verzekeringsgeneeskundige beoordeling in relevante mate zijn toegenomen en er is daartoe geen objectieve medische informatie overgelegd.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De Raad ziet anders dan de rechtbank in het rapport werknemersfraude van 17 juni 2005 voldoende feitelijke grondslag voor de schorsing van de Wajong-uitkering met ingang van 1 juli 2005 en voor de intrekking van deze uitkering met ingang van 1 augustus 2003. Uit de resultaten van het fraudeonderzoek, waaronder met name de getuigenverklaringen in onderling verband bezien, leidt de Raad af dat betrokkene sinds juli 2003 in Turkije woont. Korte onderbrekingen van het verblijf in Turkije in verband met medisch onderzoek in Nederland doen hieraan niet af. Voorts is de Raad van oordeel dat betrokkene niet met nadere objectieve medische gegevens heeft onderbouwd dat zij - in afwijking van de conclusie van de verzekeringarts van 6 september 2001 - voor haar verzorging volledig afhankelijk is van derden. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het bestreden besluit beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden.

4.2. Tussen partijen is in geschil of in het geval van betrokkene sprake is van zodanige omstandigheden dat de intrekking van de Wajong-uitkering leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard in de zin van artikel 17, zevende lid, van de Wajong.

4.3. De Raad stelt voorop dat in artikel 17, eerste lid, sub c, van de Wajong is bepaald dat het recht op uitkering krachtens die wet eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de jonggehandicapte buiten Nederland is gaan wonen. Op grond van het zevende lid van artikel 17 van de Wajong kan appellant het zogenoemde exportverbod van een Wajong-uitkering buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van het eindigen van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de jonggehandicapte buiten Nederland gaat wonen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.5. Appellant heeft in zijn Besluit beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland van 29 april 2003 (Stct. 84, bl. 17, hierna: Besluit) aangegeven in welke gevallen en op welke wijze door hem uitvoering zal worden gegeven aan deze hardheidsclausule. In artikel 2 van dit Besluit is bepaald dat van een onbillijkheid van overwegende aard sprake is indien de jonggehandicapte zwaarwegende redenen heeft om buiten Nederland te gaan wonen en naar verwachting als gevolg van het beëindigen van het recht op uitkering aanmerkelijk nadeel zal ondervinden. Als zwaarwegende redenen worden in ieder geval aangemerkt:

a. het ondergaan van een medische behandeling van enige duur;

b. het aanvaarden van arbeid met enig reïntegratieperspectief;

c. het volgen van de woonplaats van degene(n) van wie de jonggehandicapte voor zijn verzorging afhankelijk is en die genoodzaakt is om buiten Nederland te gaan wonen.

4.6. Appellant heeft, onder meer in de toelichting bij het Besluit, terecht aangegeven dat de hardheidsclausule steeds aan de hand van de omstandigheden van het individuele geval moet worden toegepast. Ook in andere dan de drie hiervoor genoemde situaties kan er grond zijn voor toepassing van de hardheidsclausule. Daarom moet in alle gevallen beoordeeld worden of sprake is van zwaarwegende redenen en of het beëindigen van de uitkering een aanmerkelijk nadeel betekent.

4.7. De Raad stelt allereerst vast dat de door en namens betrokkene aangevoerde omstandigheden waarom zij buiten Nederland wenst te wonen niet gerangschikt kunnen worden onder één of meer van de drie in artikel 2 van het Besluit genoemde gevallen. Daarbij wijst de Raad er op dat geen sprake is van een geval waarin betrokkene in Turkije wilde gaan wonen omdat degene die haar verzorgde genoodzaakt was daar te gaan wonen. Niet is gebleken dat betrokkene voor verzorging volledig afhankelijk was van haar ouders nu deze reeds in 2002 naar Turkije waren vertrokken. Voorts is niet gebleken van feiten of omstandigheden die gerangschikt kunnen worden onder de twee overige in artikel 2 van het Besluit genoemde gevallen.

4.8. Aan de orde is derhalve de vraag of in het geval van betrokkene sprake is van overige omstandigheden die een grondslag kunnen vormen voor toepassing van de hardheidsclausule. Namens betrokkene is gesteld dat haar lichamelijke toestand ernstig is verslechterd en dat zij zich zonder hulp van haar ouders niet kan verzorgen. Betrokkene

lijdt aan totale blindheid en is voor haar epileptische aanvallen afhankelijk van medicijnen.

4.9. De Raad is met appellant van oordeel dat de namens betrokkene genoemde omstandigheden niet als zwaarwegende redenen, om met behoud van een Wajong-uitkering buiten Nederland te mogen wonen, aangemerkt kunnen worden. Daarbij acht de Raad van belang dat blijkens de wetsgeschiedenis het exportverbod van de Wajong-uitkering het uitgangspunt is en dat de hardheidsclausule slechts in uitzonderlijke situaties toepassing kan vinden, welke door appellant enerzijds expliciet zijn genoemd in het Besluit en voor het overige moeten voldoen aan de voorwaarde dat een noodzaak bestaat voor het wonen buiten Nederland op gronden die objectief en dwingend van aard zijn. De Raad is van oordeel dat de namens betrokkene genoemde omstandigheden niet voldoen aan deze voorwaarden. Uit de voorhanden zijnde gegevens in het dossier en de ingezonden brieven kan de Raad niet afleiden dat sprake is van een medisch objectiveerbare noodzaak voor betrokkene om zich in Turkije te vestigen. Daarbij merkt de Raad op dat niet is aangetoond met nadere gegevens dat de gezondheidstoestand van betrokkene inmiddels zodanig is geworden dat zij volledig afhankelijk zou zijn van verzorging door haar ouders of familieleden in Turkije.

4.10. Op grond van artikel 55 van de Wajong is appellant gehouden de uitkering die ten onrechte is betaald, terug te vorderen, tenzij er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. Nu van zulke omstandigheden niet is gebleken, is appellant terecht tot terugvordering overgegaan.

5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt, dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt en dat het beroep alsnog ongegrond dient te worden verklaard.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 april 2009.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) W. Altenaar.

IA