Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI3128

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2009
Datum publicatie
07-05-2009
Zaaknummer
07-6967 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ziekmelding vanuit WW. Weigering WIA-uitkering. Reeds bij aanvang van de verzekering in 2001 last had van aangezichtspijn aan de linkerzijde. Gelet op de datum thans in geding ziet de Raad in de toekenning van een Wajong-uitkering geen aanleiding om de voor appellante vastgestelde beperkingen onjuist te achten. Geschiktheid functies. Omvang maatman. Zorgvuldig medisch onderzoek.

Wetsverwijzingen
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6967 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 15 november 2007, 07/212 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2009. Appellante is – zoals tevoren schriftelijk was bericht – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is vanaf mei 2001, na voltooiing van de universitaire studie Algemene Letteren, werkzaam geweest als administratief medewerker, laatstelijk in een urenomvang van 27,5 uur per week. Per 1 maart 2004 is appellante werkloos geworden en ontving zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet.

1.2. Appellante heeft zich op 23 juli 2004 ziek gemeld wegens aangezichtspijn, vermoeidheid, concentratieproblemen, rug- en armklachten.

1.3. In het kader van de beoordeling van de aanvraag van appellante voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft verzekeringsarts W.C.A. Schaaphok op 19 april 2006 een medisch onderzoek verricht en hierover verslag uitgebracht in zijn rapport van dezelfde datum. Blijkens dit rapport heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat appellante reeds bij aanvang van de verzekering in 2001 last had van aangezichtspijn aan de linkerzijde. Ten tijde van het medisch onderzoek is volgens de verzekeringsarts sprake van een uitbreiding van de aangezichtspijn naar de rechterzijde, alsmede van rug-, nek- en armklachten. Voorts heeft appellante een longaandoening met allergie. De verzekeringsarts heeft de beperkingen weergegeven in twee Functionele Mogelijkheden Lijsten (FML’en) van 19 april 2006, één FML met de beperkingen zoals die van toepassing waren bij aanvang van de verzekering en één per einde wachttijd. In de FML bij aanvang van de verzekering wordt appellante wegens aangezichtspijn, vermoeidheid en concentratieproblemen beperkt geacht op het gebied van Persoonlijk en Sociaal Functioneren en wordt een urenbeperking van 20 uur per week aangenomen. In de FML per einde wachttijd wordt appellante tevens beperkt geacht wegens rug-, nek- en armklachten voor lichamelijke belasting en in verband met allergie voor omgevingsfactoren. Gelet op de door de verzekeringsarts vastgestelde urenbeperking van 20 uur per week bij aanvang van de verzekering, heeft arbeidsdeskundige A. van der Leeuw-Hoff in zijn rapport van 31 mei 2006 de omvang van de maatgevende arbeid van appellante gemaximeerd op 20 uur per week en het maatmaninkomen per uur berekend op € 8,34. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige na functieduiding vastgesteld dat er geen sprake is van een verlies aan verdienvermogen. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 7 juni 2006 geweigerd aan appellante per 21 juli 2006 een WIA-uitkering toe te kennen.

1.4. In de bezwaarprocedure heeft bezwaarverzekeringsarts A. van Bruggen kennis genomen van de door appellante overgelegde medische gegevens, waaronder een rapportage/deskundigenoordeel van psycholoog J.L.H. Mostertman van 19 juni 2006, verklaringen van de arts W.L.A. Simgen en een besluit tot indicatie-WSW van 19 oktober 2006. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport van 8 november 2006 - in afwijking van de verzekeringsarts - geconcludeerd dat appellante bij aanvang van de verzekering in 2001 wél in staat moest worden geacht om 27,5 uur per week te werken. Voor het overige heeft de bezwaarverzekeringsarts het oordeel van de verzekeringsarts onderschreven. Bezwaararbeidsdeskundige J.P.M. Optekamp-van Kaam heeft in zijn rapport van 29 december 2006 de omvang van de maatman vastgesteld op 27,5 uur per week, de volledige urenomvang waarin appellante laatstelijk werkzaam is geweest. Als gevolg van de gewijzigde maatmanomvang is het verlies aan verdienvermogen berekend op 26,9%, hetgeen leidt tot indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse minder dan 35%. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 9 januari 2007 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 juni 2006 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank achtte het verrichte medisch onderzoek niet onzorgvuldig. In hetgeen in beroep is aangevoerd en in de overgelegde stukken heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de beperkingen onjuist zijn vastgesteld of onvoldoende zijn onderzocht. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geoordeeld dat het maatmaninkomen op een juiste manier is berekend. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat met de toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige in het rapport van 29 december 2006 voldoende inzichtelijk is gemaakt waarom de geduide functies voor appellante, ondanks signaleringen, geschikt zijn te achten.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest en dat er redenen zijn voor een verdergaande urenbeperking tot 12 uur per week. Voorts is er aanleiding om een deskundige in te schakelen. De motivering van de rechtbank over deze punten is onvoldoende. Ten aanzien van de urenbeperking wijst appellante op de opvatting van psycholoog Mostertman en de WSW-indicatie. Na het bestreden besluit is aan appellante alsnog een Wajong-uitkering toegekend, waarop de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan. Bij de vaststelling van het maatmaninkomen is ten onrechte uitgegaan van het door de ex-werkgever uitbetaalde loon, dat lager is dan het wettelijk minimumloon, omdat dit geen reële beloning is. Voorts is de geschiktheid van appellante voor de geduide functies onvoldoende inzichtelijk. Tijdens de hoger beroepsprocedure heeft appellante een rapport van de arts Simgen van 5 november 2008 overgelegd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.1. Evenals de rechtbank heeft de Raad in de gedingstukken geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellante op de datum in geding onzorgvuldig dan wel onjuist heeft vastgesteld.

4.1.2. Ten aanzien van het verrichte medisch onderzoek is ook de Raad niet gebleken dat dit onzorgvuldig is geweest. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts een lichamelijk onderzoek heeft verricht en dat de bezwaarverzekeringsarts appellante heeft gezien tijdens de hoorzitting. Voorts hebben zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts bij hun onderzoeken de door appellante overgelegde gegevens van de behandelend sector betrokken. Appellante heeft in hoger beroep niet nader onderbouwd waarom het verrichte medisch onderzoek niet als zorgvuldig kan worden beschouwd.

4.1.3. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport van 8 november 2006 voldoende gemotiveerd waarom hij in de beschikbare medische gegevens geen aanleiding ziet om de door de verzekeringsarts vastgestelde FML per einde wachttijd bij te stellen. Daarbij is ten aanzien van het advies van psycholoog Mostertman in zijn rapport van 19 juni 2006 om appellante maximaal 12 uur per week belastbaar te achten voor arbeid, door de bezwaarverzekeringsarts opgemerkt dat voor de ernst van de ervaren fysieke klachten door de behandelaars geen duidelijke verklaring/oorzaak kan worden aangegeven. Uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts blijkt dat de door appellante overgelegde WSW-indicatie, waarbij appellante maximaal in staat wordt geacht om 12 uur per week te werken, bij zijn onderzoek is betrokken. Reeds nu bij deze indicatie een onderbouwing van de urenbeperking tot 12 uur per week ontbreekt, biedt deze indicatie voor de Raad onvoldoende aanknopingpunten om hieruit af te leiden dat een verdergaande urenbeperking dient te gelden. Ten aanzien van het rapport van de arts Simgen van 5 november 2008 is ter zitting namens het Uwv gemotiveerd aangegeven dat de daarin vermelde gegevens geen invloed hebben op de vastgestelde beperkingen. De Raad kan zich hierin vinden.

4.1.4. Uit het besluit van 22 maart 2007 waarbij met ingang van 5 juli 2005 een Wajong-uitkering is toegekend, blijkt dat deze toekenning berust op beperkingen die bij appellante zijn vastgesteld per 25 januari 2001. Gelet op de datum thans in geding ziet de Raad in de toekenning van een Wajong-uitkering geen aanleiding om de voor appellante vastgestelde beperkingen onjuist te achten.

4.1.5. Gelet op het voorgaande ziet de Raad in hetgeen in hoger beroep is aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen per de datum in geding. Hierin ligt besloten dat de Raad evenmin als de rechtbank redenen ziet voor het inschakelen van een medisch deskundige.

4.2.1. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het maatmaninkomen terecht is vastgesteld aan de hand van het inkomen dat appellante heeft ontvangen voor haar werk als administratief medewerkster tot 1 maart 2004, de datum waarop haar dienstverband is geëindigd. Ingevolge de jurisprudentie van de Raad (zie bijv. de uitspraak van 2 april 2004, LJN AO8673) moet het feitelijk genoten loon uitgangspunt zijn bij de vaststelling van het maatmaninkomen. De stelling van appellante dat het feitelijk genoten loon geen reëel loon was, is naar het oordeel van de Raad onvoldoende onderbouwd. De enkele omstandigheid dat het feitelijk genoten loon lager zou zijn dan het wettelijk minimumloon acht de Raad in dit verband onvoldoende. De stelling van appellante dat van het feitelijk genoten loon dient te worden afgeweken omdat sprake was van werkloosheid op het moment van haar ziekmelding, volgt de Raad evenmin. De (hogere) vaststelling van het maatmaninkomen in de Wajong-beoordeling vormt ook geen reden om het in deze procedure berekende maatmaninkomen onjuist te achten, reeds niet omdat het maatmaninkomen in de Wajong-beoordeling is verhoogd op grond van artikel 6, vierde lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, een bepaling die niet van toepassing is bij een WIA-beoordeling als hier aan de orde.

4.2.2. De Raad is verder van oordeel dat de geschiktheid van de geduide functies genoegzaam inzichtelijk is gemaakt. Ten aanzien van de signaleringen bij de functiebelastingen is in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 29 december 2006 voldoende toegelicht dat de functies op de gesignaleerde aspecten de belastbaarheid van appellante niet overschrijden. Naar aanleiding van de grief in hoger beroep dat de functie telefonist/receptionist (sbc-code 315120) de urenbeperking van 4 uur per dag overschrijdt (aspect 6.2.3), is in het verweerschrift toegelicht dat in de functie telefonist/receptionist één keer per maand een werkdag van 5 uur voorkomt en dat appellante blijkens de FML in staat wordt geacht om gemiddeld ongeveer 20 uur per week te werken. Deze nadere toelichting vormt naar het oordeel van de Raad een afdoende verduidelijking van hetgeen reeds eerder door de bezwaararbeidsdeskundige was toegelicht.

4.2.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 april 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.J. van der Torn.

TM