Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI3126

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2009
Datum publicatie
07-05-2009
Zaaknummer
07-6745 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Belastbaarheid is juist vastgesteld. Geen inschakeling deskundige voor onderzoek van geestesgesteldheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6745 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 8 november 2007, 07/1799 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.F.A. Cadot, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2009. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Cadot. Voor het Uwv is verschenen mr. W.P.F. Oosterbos.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 28 september 2006 is de aan appellant toegekende WAO-uitkering per 27 november 2006 herzien van een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer naar een mate van 15-25%.

2. Bij besluit van 13 maart 2007 zijn appellants bezwaren tegen dat primaire besluit ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak is appellants beroep tegen het besluit van 13 maart 2007 ongegrond verklaard.

Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - het volgende overwogen.

Op grond van de stukken moet worden aangenomen dat de verzekeringsartsen - die op de hoogte waren van appellants klachten, waaronder psychische klachten en klachten over oorsuizen en jichtaanvallen - bij appellant niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. De door appellant overgelegde informatie geeft geen aanleiding tot twijfel aan de bevindingen van de verzekeringsartsen.

Aangezien appellant ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat de psychische klachten het gevolg zijn van het primaire besluit, is het Uwv er terecht vanuit gegaan dat die klachten er op de datum in geding niet waren. Appellants stelling ter zitting dat de rugoperatie is mislukt, is niet met medische stukken onderbouwd. Aangezien een WSW-beoordeling een geheel ander beoordelingskader kent, is in de brief van het Werkvoorzieningsschap - nog daargelaten de datering daarvan - geen aanleiding tot twijfel aan het verzekeringsgeneeskundig oordeel gelegen.

De drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies gaan appellants belastbaarheid niet te boven en leiden tot een verlies aan verdiencapaciteit van 18,74%.

4. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat hij ten tijde in geding medisch gezien in diverse opzichten zozeer meer was beperkt dan door de verzekeringsartsen en in hun spoor door de rechtbank is aangenomen dat hij ten tijde in geding geen duurzame mogelijkheden tot het verrichten van welke vorm van arbeid dan ook had. Met name had hij reeds vóór de datum in geding psychische klachten die als gevolg van het primaire besluit zijn verergerd. Die problematiek is evenwel niet onderkend, aangezien hij moeite heeft met het erkennen van zijn psychische beperkingen en er in zijn cultuur een taboe rust op het ondergaan van psychische behandeling.

Ter ondersteuning van zijn stelling dat hij in medisch opzicht zo zeer meer is beperkt heeft appellant bij brief van 26 februari 2009 nog een aan hem gericht behandelverslag van een fysio- en manueel therapeut van 16 november 2007 en enkele aan zijn huisarts gerichte berichten van medische specialisten van 28 januari 2006 (kno-arts), 21 augustus 2006 (kno-arts), 16 september 2006 (neuroloog) respectievelijk 31 januari 2006 (orthopedisch chirurg) overgelegd.

5. De bezwaarverzekeringsarts heeft op 27 februari 2009 gerapporteerd, de door appellant in hoger beroep overgelegde stukken becommentariëerd en geconcludeerd in die stukken geen aanleiding tot herziening van het eerder ingenomen standpunt te zien. Het Uwv heeft zich daarbij aangesloten.

6.1. De Raad overweegt als volgt.

6.2. De dit geding beheersende vraag is van medische aard en houdt in of appellant met de in de op 29 augustus 2006 vastgestelde en sedertdien niet aangescherpte FML neergelegde functionele mogelijkheden te kort is gedaan. Appellants standpunt dat hij niet in staat is de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen, heeft als uitgangspunt dat in de FML niet voldoende beperkingen zijn opgenomen.

Met hetgeen appellant heeft aangevoerd, is hij er niet in geslaagd de Raad ervan te overtuigen dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd ingegaan op appellants stellingen en de Raad deelt dat oordeel alsook - op één na - de onderliggende overwegingen van de rechtbank. Bij die ene doelt de Raad op de overweging van de rechtbank dat appellant zijn stelling dat de rugoperatie is mislukt niet met medische stukken heeft onderbouwd. De Raad verstaat die stelling van appellant aldus dat die operatie niet het gewenste resultaat heeft gehad en die stelling vindt bevestiging in de van de gedingstukken deel uitmakende brief van de revalidatiearts dr. G.H.F. van der Leeuw van 22 oktober 1992 (B8.1) waar daarin is vermeld dat de (rug-)operatie geen effect heeft gehad. In die omissie ziet de Raad evenwel onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat appellant wat zijn rug betreft meer is beperkt dan in de FML is aangegeven.

6.3. Gezien appellants met name door de primaire verzekeringsarts op 29 augustus 2006 beschreven dagelijkse activiteiten is niet staande te houden dat er sprake is van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden.

6.4.1. Appellant heeft gesteld dat hij reeds vóór de datum in geding psychische klachten en beperkingen had. Ter onderbouwing van die stelling heeft hij gewezen op de reeds in de primaire fase ingebrachte brief van zijn huisarts van 11 september 2006, waarbij deze hem heeft verwezen naar een neuroloog onder mededeling dat verwoede pogingen zijn ondernomen om hem te verwijzen naar een psycholoog of psychiater wegens één jaar bestaande chronische hoofdpijnklachten, maar tevergeefs, omdat hij niet naar een psycholoog of psychiater wil.

In hoger beroep heeft appellant te dien aanzien voorts nog overgelegd:

- een verklaring van een hem sinds 29 september 2006 wegens nek-, schouder- en rugklachten behandelende fysio- en manueel therapeut van 16 november 2007, inhoudende onder meer dat een aantal psychische klachten de laatste jaren evident aanwezig is;

- twee verklaringen van een kno-arts van 28 januari 2006 en 21 augustus 2006 waarvan alleen de laatste mede inhoudt dat hij duidelijke kenmerken van depressie (zoals chronische vermoeidheid en gebrek aan initiatief naast duidelijke spanningshoofdpijn) vertoont;

- een verklaring van een neuroloog van 16 september 2006 welke onder meer inhoudt dat hij sinds september drukkende hoofdpijn heeft en dan nergens zin in heeft, welke klachten sinds het oorsuizen zijn toegenomen, terwijl hij mede vanwege hoofdpijn soms ook niet goed slaapt;

- een verklaring van een orthopedisch chirurg van 31 januari 2008 dat hij (gezien op 3 januari 2008) bekend is met psychische problemen.

Tevens heeft appellant wat zijn psychische klachten betreft gewezen op het rapport van de psycholoog van 24 april 2007 dat ten grondslag ligt aan het besluit van het CWI van 26 juni 2007 hem toe te laten tot de doelgroep van de Sociale Werkvoorziening en bijgevolg tot het verlenen van een WSW-indicatie.

6.4.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft op die verklaringen commentaar geleverd op 27 februari 2009; een fysiotherapeut is geen arts, het vaststellen van een depressie behoort niet tot de deskundigheid van een kno-arts, de neuroloog heeft bij onderzoek geen afwijkingen gevonden en de orthopedisch chirurg heeft appellant eerst meer dan een jaar na de datum in geding gezien. Voor zover die door appellant in hoger beroep overgelegde verklaringen betrekking hebben op de situatie waarin appellant ten tijde in geding verkeerde, heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 27 februari 2009 naar het oordeel van de Raad genoegzaam gemotiveerd dat bij de FML in voldoende mate beperkingen zijn vastgesteld.

6.4.3. Met hetgeen appellant heeft aangevoerd, is hij er niet in geslaagd de Raad te brengen tot de gerede twijfel die nodig is om een specialist als onafhankelijke deskundige in te schakelen ter onderzoek van zijn geestesgesteldheid ten tijde in geding en ter beantwoording van de vraag of - indien er toen op dat gebied sprake was een ziekte of gebrek - die daaruit voortgevloeide beperkingen qua aard, omvang en ernst nopen tot neerwaartse bijstelling van appellants bij de FML vastgestelde belastbaarheid. Van enige objectivering van de hoofdpijnklachten is uit de stukken niet kunnen blijken. Dat appellant zich met zijn klachten niet tot een psycholoog of psychiater wil wenden (ter zitting van de Raad - ruim twee jaar na de datum in geding - heeft appellant desgevraagd verklaard nog steeds niet onder psychiatrische of psychologische behandeling te zijn), kan niet tot gevolg hebben dat in het kader van de WAO-procedure op basis van zijn subjectieve beleving en de indruk die hij op een fysiotherapeut en enkele medische specialisten op ander gebied heeft gemaakt de conclusie moet worden getrokken dat onderzoek door een onafhankelijke deskundige op dat gebied is geïndiceerd. De Raad kan zich vinden in het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 27 februari 2009 met dien verstande dat het vaststellen en het uitsluiten van een depressie evenmin tot haar specifieke deskundigheid (als bezwaarverzekeringsarts) zijn te rekenen. Aangezien in het rapport van de psycholoog van 24 april 2007 dat mede ten grondslag ligt aan het verlenen van de WSW-indicatie is vermeld dat de inhoud daarvan uitsluitend is gebaseerd op het gesprek met appellant (dat hij eerder die dag of kort daarvoor met appellant heeft gehad en waarbij is uitgegaan van een situatie - ruim - na de datum thans in geding), kunnen de inhoud van dat rapport en die WSW-indicatie evenmin leiden tot de vereiste twijfel. Daarbij komt dat de beoordeling in het kader van de WSW een ander doel dient en bijgevolg een andere is dan de beoordeling in het kader van de WAO.

7. Gelet op het vorenstaande faalt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

8. Voor vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 april 2009.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) A.C.A. Wit.

KR