Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI3124

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2009
Datum publicatie
07-05-2009
Zaaknummer
07-7168 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaarschrift van 26 september 2006 was gericht tegen het besluit (op bezwaar) van 29 augustus 2006. Hoewel de datum van dit besluit niet duidelijk is genoemd in het bezwaarschrift en dit besluit evenmin was bijgevoegd, kon er geen twijfel over bestaan dat bezwaar werd gemaakt tegen de verlaging van de uitkering. Uwv had het bezwaarschrift moeten doorzenden aan de rechtbank met het verzoek dit als beroepschrift in behandeling te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/7168 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 november 2007, 07/1306 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Bödicker, advocaat te Hilversum, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bödicker. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. van Dam.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 18 mei 2006 heeft het Uwv de uitkering die appellant ontving op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) gekort vanwege de arbeidsinkomsten van appellant over de jaren 1998 tot en met 2000. Tevens is bij dit besluit de WAO-uitkering van appellant per 1 januari 2001 tot 18 mei 2006 (definitief) verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

1.2. Bij besluit van 29 augustus 2006 heeft het Uwv het daartegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard. Het Uwv heeft bij dit besluit de korting over de jaren 1998 tot en met 2000 bijgesteld en bepaald dat de uitkering per 1 januari 2001 definitief zal worden verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Van dit besluit maakt deel uit het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Horeman van 24 augustus 2006. Hierin is op pagina 2 vermeld:

“Eventuele verdiensten over de jaren 2001 en verder vallen buiten de beoordeling van dit bezwaar. De primaire afdeling wordt gevraagd wat dat betreft een nader onderzoek te verrichten.”.

1.3. Bij brief van 26 september 2006 heeft appellant, met verwijzing naar het rapport van 24 augustus 2006, bezwaar gemaakt tegen de beslissing om zijn uitkering te verlagen over de jaren 2003 tot en met 2006. Omdat voor het Uwv niet geheel duidelijk was tegen welke beslissing dit bezwaar was gericht, heeft het Uwv in april 2007 telefonisch contact gezocht met de gemachtigde van appellant. Deze heeft meegedeeld dat het bezwaar was gericht tegen het besluit van 29 augustus 2006.

1.4. Bij besluit van 26 april 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van 26 september 2006 tegen het besluit van 29 augustus 2006 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat daartegen geen bezwaar mogelijk was, maar beroep had moeten worden ingesteld.

2. De rechtbank heeft het hiertegen door appellant ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen hiervan in stand blijven. Voorts heeft zij bepaald dat het Uwv het griffierecht aan appellant dient te vergoeden. De rechtbank heeft in haar uitspraak het tijdens de beroepsprocedure gewijzigde standpunt van het Uwv onderschreven. Dit houdt in dat het bezwaar van 26 september 2006 bij nader inzien niet geacht kan worden te zijn gericht tegen het besluit van 29 augustus 2006, aangezien dit ziet op de (hiervóór onder 1.2 geciteerde) passage uit het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige, welke passage niet kan worden aangemerkt als een onderdeel van het besluit van 29 augustus 2006. Voorts houdt het gewijzigde standpunt van het Uwv in dat het bezwaar evenmin als een prematuur bezwaar kan worden aangemerkt tegen naderhand genomen besluiten.

3.1. In hoger beroep tegen deze uitspraak voert appellant aan dat het bezwaar wel degelijk was gericht tegen het besluit van 29 augustus 2006, namelijk tegen de verlaging van de uitkering naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 65 tot 80%, welke ook voor de jaren vanaf 2003 geldt.

3.2. Het Uwv heeft in hoger beroep verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Gelet op de genoemde omstandigheden in hun onderlinge samenhang bezien, komt de Raad tot het oordeel dat het bezwaarschrift van 26 september 2006 was gericht tegen het besluit van 29 augustus 2006. Hoewel de datum van dit besluit niet duidelijk is genoemd in het bezwaarschrift en dit besluit evenmin was bijgevoegd, kon er geen twijfel over bestaan dat bezwaar werd gemaakt tegen de verlaging van de uitkering over de jaren 2003 tot en met 2006. Op dat moment was, naast het besluit op bezwaar van 29 augustus 2006, geen ander besluit aan te wijzen dat ging over de hoogte van de uitkering over deze jaren, zodat voldoende duidelijk was dat het gericht moest zijn tegen dit besluit. Bij navraag door het Uwv heeft appellant dat ook bevestigd.

4.2. Op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt een bezwaar- of beroepschrift dat is ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender. Op grond van het tweede lid van dit artikel gebeurt dit ook indien in plaats van een bezwaarschrift een beroepschrift is ingediend of omgekeerd. De Raad stelt vast dat appellant in dit geval in plaats van beroep bezwaar heeft ingesteld tegen het besluit van 29 augustus 2006. Dit betekent dat het Uwv het bezwaarschrift had moeten doorzenden aan de rechtbank met het verzoek dit als beroepschrift in behandeling te nemen.

4.3. Anders dan de rechtbank, komt de Raad daarom tot het oordeel dat het bestreden besluit niet genomen had mogen worden. De Raad ziet hierin aanleiding de aangevallen uitspraak, alsook het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met artikel 6:15 van de Awb. De Raad ziet voorts aanleiding om het Uwv op te dragen de brief van 26 september 2006 ter verdere behandeling aan de rechtbank door te zenden.

5. Tot slot acht de Raad termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant voor de in beroep en in hoger beroep verleende rechtsbijstand tot een bedrag van in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens de opdracht tot vergoeding aan appellant van het in eerste aanleg betaalde griffierecht;

Vernietigt het bestreden besluit van 26 april 2007;

Draagt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op de brief van 26 september 2006 ter verdere behandeling aan de rechtbank Utrecht door te zenden;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) R.L. Rijnen.

MH