Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI3116

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2009
Datum publicatie
07-05-2009
Zaaknummer
07-4069 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het medisch onderzoek is in eerste instantie verricht door een arts die geen verzekeringsarts is. De Raad acht dit gebrek evenwel hersteld door het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4069 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 6 juni 2007, 06/2035 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 1 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.J. Ambrosius. Betrokkene is - met voorafgaand bericht - niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 24 mei 2006 heeft appellant geweigerd aan betrokkene met ingang van 3 februari 2006 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen.

1.2. Bij besluit van 25 oktober 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant het door betrokkene tegen het besluit van 24 mei 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene gericht tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en aanvullende beslissingen gegeven omtrent vergoeding van proceskosten en griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek niet is verricht overeenkomstig de eisen van de artikelen 2, 3 en 4 van het geldende Schattingsbesluit omdat het medisch onderzoek in eerste instantie is verricht door een arts die geen verzekeringsarts is. Dit aan het primaire onderzoek klevende gebrek is naar het oordeel van de rechtbank in de bezwaarfase niet hersteld omdat de bezwaarverzekeringsarts niet zelf een medisch onderzoek als bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van het Schattingsbesluit heeft verricht. Het bestreden besluit berust daarom niet op een toereikende grondslag.

3.1. Appellant heeft tegen deze uitspraak aangevoerd dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat de primaire medische beoordeling heeft plaatsgevonden door de arts B. de Veen zijnde op dat moment een verzekeringsarts in opleiding. De rechtbank heeft daarvan uitgaande, volgens appellant terecht geconcludeerd tot een gebrek in de primaire medische beoordeling. Voorts heeft bezwaarverzekeringsarts P.M.H-J. Tjen het dossier bestudeerd, betrokkene tijdens de hoorzitting gezien en informatie ingewonnen bij de behandelend reumatoloog en de psychiater. Tjen kan zich verenigen met de opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) en zag geen reden voor een arbeidsurenbeperking. Volgens appellant is het geconstateerde gebrek in de primaire fase hersteld door de medische heroverweging van de wel als verzekeringsarts geregistreerde bezwaarverzekeringsarts Tjen.

3.2. Betrokkene heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De Raad stelt allereerst vast, dat de rechtbank, nu haar was gebleken dat de primaire arts geen geregistreerd verzekeringsarts was ten tijde van het onderzoek, het bestreden besluit deswege heeft vernietigd. De vraag doet zich nu voor of betrokkene dit punt bij de rechtbank aan de orde heeft gesteld dan wel dat door de rechtbank, nu dit aspect niet geacht kan worden van openbare orde te zijn, buiten de door artikel 8: 69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorgeschreven omvang van het geding is getreden.

4.3. Vastgesteld kan worden dat dit aspect ter zitting bij de rechtbank ter sprake is gebracht door appellant. In het handgeschreven proces-verbaal van de zitting van de rechtbank staat voorts dat de gemachtigde van betrokkene heeft gezegd: “geen onderzoek va is doorslaggevend”. Naar het oordeel van de Raad is deze zinsnede voor tweeërlei uitleg vatbaar. De gemachtigde kan hiermee bedoeld hebben dat de verzekeringsarts geen lichamelijk onderzoek heeft verricht of dat de arts geen verzekeringsarts was. Ter zitting bij de Raad heeft het Uwv hierover geen duidelijkheid kunnen verschaffen. De Raad heeft niet kunnen vaststellen dat betrokkene niet bedoeld heeft het aspect van de verzekeringarts-in-opleiding aan de orde te stellen. Daaruit volgt dat aangenomen moet worden dat betrokkene ter zitting bij de rechtbank dit aspect als grond naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft dan ook terecht de vraag beoordeeld of het primaire medische onderzoek heeft plaatsgevonden door een verzekeringsarts.

4.4. Zoals de Raad al eerder als zijn oordeel heeft uitgesproken (zie bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 18 juli 2007, LJN BA9904), kan aan een onderzoek door een niet als verzekeringsarts geregistreerde arts niet dezelfde waarde worden toegekend als aan een onderzoek door een geregistreerde verzekeringsarts. De kwaliteit van het primaire verzekeringsgeneeskundige onderzoek door een niet als verzekeringsarts geregistreerde arts is - naar de Raad heeft geoordeeld - onvoldoende gewaarborgd om daarop een besluit tot vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid te kunnen baseren. Een voldoende basis kan alsnog worden verkregen door een beoordeling door een wel als verzekeringsarts geregistreerde arts. Een lichamelijk onderzoek zal daarbij niet steeds noodzakelijk zijn, maar als regel zal dossieronderzoek niet volstaan.

4.5. In dit geval heeft het primaire verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts in opleiding. De Raad acht dit gebrek evenwel hersteld door het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts Tjen in het kader van de herbeoordeling in de bezwaarfase betrokkene tijdens de hoorzitting op 28 augustus 2006 heeft gezien. Aldaar heeft betrokkene melding gemaakt dat informatie is opgevraagd bij de behandelend reumatologen dr. A. Boonen en dr. D.J.R.A.M. de Rooij en de psychiater dr. C. Leue. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat hij deze informatie zal afwachten alvorens een oordeel te geven. Nadat de bezwaarverzekeringsarts deze schriftelijke informatie had verkregen, heeft hij deze in zijn oordeelsvorming betrokken. Tevens heeft de bezwaarverzekeringsarts blijkens zijn rapport van 26 september 2006 kennis genomen van het dossier en de rapportage van de primaire verzekeringsarts in opleiding en diens medisch oordeel tot het zijne gemaakt.

4.6. Naar het oordeel van de Raad geven de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts van 26 september 2006 en 24 oktober 2006 blijk van een zorgvuldige inventarisatie van betrokkenes klachten, welke met inachtneming van de beschikbare informatie van de behandelend sector ook zonder een nader lichamelijk en/of psychisch onderzoek op waarde konden worden geschat.

4.7. Gelet op de overwegingen 4.5 en 4.6 moet het door de rechtbank terecht geconstateerde gebrek in de fase van de heroverweging geacht worden te zijn hersteld. De rechtbank heeft dit miskend. Om die reden kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven.

4.8. De Raad is wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit van oordeel dat de beperkingen van betrokkene, op basis van een zorgvuldig verricht medisch onderzoek, niet onjuist zijn vastgesteld. De arts die op 2 maart 2006 het primaire medisch onderzoek heeft verricht, heeft betrokkene beperkt geacht in verband met haar fysieke klachten. De FML van 17 maart 2006 bevat beperkingen in de rubrieken aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. Bezwaarverzekeringsarts Tjen heeft, rekening houdend met de overgelegde informatie van de behandelend reumatologen Boonen en de Rooij en de psychiater Leue, alsmede met het bezwaarschrift en de informatie uit de hoorzitting, de conclusie van de desbetreffende primaire arts onderschreven. Van aanknopingspunten in objectief-medische zin op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat betrokkene ten tijde van de datum in geding meer beperkt was dan appellant heeft aangenomen, is de Raad niet gebleken.

4.9. De arbeidsdeskundige A. van den Broeke heeft betrokkene geschikt geacht voor de maatgevende functie van projectmedewerkster. In het arbeidskundige rapport van 19 mei 2006 is het werk van betrokkene als projectmedewerkster beschreven en is nader uiteengezet dat het geen fysiek zware arbeid betreft. De arbeidsdeskundige acht betrokkene in staat alle benodigde bewegingen uit te voeren voor het bedienen van het toetsenbord en muis en het gedurende het merendeel van de dag met een computer werken. Naar het oordeel van de Raad heeft betrokkene op haar beurt niet aannemelijk gemaakt dat haar beperkingen op de datum in geding haar ongeschikt maakten voor haar eigen werk.

4.10. In aanmerking nemend dat de functie van betrokkene algemeen gangbaar is en om die reden aannemelijk is dat deze ook elders op de arbeidsmarkt voorkomt met dezelfde belasting en beloning, is betrokkene naar het oordeel van de Raad terecht op de datum in geding niet arbeidsongeschikt geacht in de zin van de Wet WIA.

4.11. Al het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt en dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.J. van der Torn.

KR