Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI3114

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2009
Datum publicatie
07-05-2009
Zaaknummer
08-2458 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eervol ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid, anders dan op grond van ziekten of gebreken (hierna ook: ongeschiktheidsontslag). In het geheel van vorengenoemde omstandigheden ziet de Raad onvoldoende aanleiding voor het College om betrokkene niet eerst met de onjuistheid van zijn handelen te confronteren en hem een kans op verbetering te geven. De rechtbank heeft dan ook terecht geconcludeerd dat het College onder deze omstandigheden niet bevoegd was betrokkene wegens ongeschiktheid te ontslaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2009/137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2458 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 april 2008, 07/3596 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 23 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. de Visser, advocaat te ’s-Hertogenbosch, en door C.F.G.M. Smits, J.A.C.M. Frunt en F.A.M. Meens, allen werkzaam bij de gemeente Waalwijk (hierna: gemeente). Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. L.G.C.M. de Wit, advocaat te Oosterhout.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was sinds 1 september 2000 in dienst bij de gemeente, met ingang van 22 juni 2005 als [naam functie].

1.2. Bij besluit van 1 maart 2007, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 12 juli 2007, heeft appellant aan betrokkene per 15 maart 2007 met toepassing van artikel 8:6, eerste lid, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) eervol ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid, anders dan op grond van ziekten of gebreken (hierna ook: ongeschiktheidsontslag) verleend voor de vervulling van zijn eigen functie dan wel voor enige andere functie bij de gemeente.

Aan (de handhaving van) dit ontslag heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkene in strijd met de geldende regels en afspraken meer geld in kas heeft gehad dan het toegestane maximum van € 1.000,- en dat hij een uit de kluis afkomstig bedrag van ongeveer € 6.400,- in de avond en nacht van 31 oktober op 1 november 2006 onbeheerd heeft achtergelaten in zijn auto bij de sporthal, en daarna nabij zijn woning, met het risico dat dit bedrag ontvreemd zou worden, welk risico is ingetreden. Appellant heeft hierdoor geen enkel vertrouwen meer in het functioneren van betrokkene.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het primaire besluit van 1 maart 2007 herroepen en bepaald dat haar uitspraak daarvoor in de plaats treedt, en bepalingen gegeven over griffierecht en proceskosten.

De rechtbank heeft daartoe overwogen dat betrokkene zich weliswaar ongeschikt heeft getoond, maar dat geen sprake is van een als uitzonderlijk aan te merken situatie waarin het bieden van een verbeterkans niet zinvol zou zijn. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat betrokkene weliswaar meermalen heeft aangegeven laks te zijn, maar dat hij evenzeer op verschillende momenten inzicht heeft getoond in de laakbaar-heid van zijn handelen. Voorts is niet gebleken dat betrokkene eerder is aangesproken op het feit dat hij laks zou zijn. Los daarvan is de rechtbank van oordeel dat appellant in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel geen herplaatsingsonderzoek heeft verricht. De rechtbank overweegt dat het ontbreken van vertrouwen slechts is gestoeld op een onzorgvuldige omgang met geld van betrokkene. Het had onder die omstandigheden op de weg van appellant gelegen om te bezien of betrokkene herplaatst kon worden in een functie zonder financiële verantwoordelijkheid.

3. Appellant heeft in hoger beroep onder meer aangevoerd dat de rechtbank er volledig aan voorbij gegaan is dat betrokkene zich, door een ernstige risicovolle situatie te laten ontstaan, welk risico door zijn toedoen is geëffectueerd, volledig heeft gediskwalificeerd, voor welke functie bij de gemeente ook. Zijn integriteit en betrouwbaarheid zijn aangetast door gedragingen waarmee hij zich niet alleen ongeschikt heeft getoond, maar zich bovendien aan zeer ernstig plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt waarvoor ook strafontslag had kunnen worden verleend. In het kader van de belangenafweging is, vanwege het belang van betrokkene bij het recht op een uitkering, gekozen voor een ongeschiktheidsontslag.

Betrokkene heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad stelt vast dat appellant er in dit geval voor gekozen heeft om het aanvankelijk ingezette disciplinaire traject niet voort te zetten, maar om betrokkene ongeschiktheidsontslag te verlenen. Wat er verder ook zij van deze keuze en ook afgezien van de vraag of voortzetting van het disciplinair traject tot strafontslag had kunnen leiden, onverlet blijft dat aan alle vereisten voor toepassing van de gekozen ontslaggrond moet zijn voldaan.

4.2. De rechtbank heeft er in dit verband terecht op gewezen dat volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 6 januari 2005, LJN AS2575) het niet beschikken over de eigenschappen, mentaliteit en instelling voor het op goede wijze vervullen van de functie nog niet zonder meer een ongeschiktheidsontslag rechtvaardigt. Daartoe is in het algemeen vereist dat de betrokken ambtenaar op zijn functioneren is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren. Dit is slechts anders in een als uitzonderlijk aan te merken situatie waarin het bieden van een verbeterkans niet zinvol zou zijn.

4.3. Een dergelijke situatie doet zich, ook naar het oordeel van de Raad, in het geval van betrokkene niet voor. De Raad neemt daarbij de volgende omstandigheden in aanmer-king. Betrokkene heeft onweersproken gedurende enige maanden meer geld in kas gehad dan was toegestaan. De Raad acht voorts aannemelijk dat hij reeds langer op de hoogte was van de geldende limiet van € 1.000,-. Anderzijds is door appellant erkend dat ook bij andere sporthalbeheerders sprake is geweest van overschrijding van de limiet. Dat was ook de reden waarom tijdens het gezamenlijk werkoverleg op 11 oktober 2006 het financieel traject aan de orde is gesteld, waarbij is opgemerkt dat voorkomen moet worden dat te veel geld in de kluisjes ligt. Voorts is bij dat werkoverleg aangekondigd dat voortaan ook de beheerders van sporthal [naam sporthal] het surplus boven € 1.000,- zelf bij de bank zouden moeten storten. Zij zouden van de coördinerend beheerder Sporthallen nog voorlichting krijgen over hoe dit moet, maar betrokkene heeft onweersproken verklaard, dat hij zelf heeft moeten uitzoeken hoe dit afstorten in zijn werk gaat. Voorts heeft hij verklaard dat hij, nadat hij op 23 oktober 2006 was gemaand dat hij veel te veel geld in de kluis had, nog enige tijd gewacht heeft met het afstorten, omdat hij nog geen stortings-bags had en bovendien in de - overigens onjuiste - veronderstelling verkeerde dat hij eerst een kastekort moest oplossen. Door een naderende vakantie was hij op de bewuste avond van 31 oktober in een tijdsklem geraakt, zodat hij het plan opvatte om ’s nachts na het werk af te gaan storten, een plan waar hij vervolgens vanwege het slechte weer van afzag. Vervolgens is hij bij thuiskomst vergeten het geld uit de auto te halen. De volgende ochtend bleek zijn auto opengebroken en het geld verdwenen.

4.4. De Raad concludeert uit deze gang van zaken, dat betrokkene onmiskenbaar laks is geweest, en een onverantwoord risico heeft genomen door het geld onbeheerd in zijn auto te leggen. De handelwijze van betrokkene doet ook naar het oordeel van de Raad twijfel rijzen aan diens geschiktheid voor de functie.

Het gaat de Raad echter te ver om, zoals appellant heeft gedaan, te concluderen, dat betrokkene zich hierdoor niet integer heeft gedragen en dat hij zich volstrekt heeft gediskwalificeerd. De Raad kan zich niet aan de indruk onttrekken, dat deze door appellant gegeven kwalificaties mede berusten op de verdenking, dat betrokkene mogelijk zelf een rol heeft gespeeld bij de verdwijning van het geld en dat hij eigenlijk voor de gepleegde diefstal verantwoordelijk is. De Raad moet echter vaststellen, dat het ingestelde onderzoek geen grond geeft voor een dergelijke verdenking.

4.5. De Raad merkt voorts op - zonder overigens af te willen doen aan de eigen verantwoordelijkheid van betrokkene - dat ook het kennelijk gebrek aan begeleiding en instructie bij deze nieuwe taak een rol kunnen hebben gespeeld bij de ontstane situatie. Het komt de Raad voor dat juist bij een verantwoordelijke taak als deze, die bepaald niet het hoofdbestanddeel van de functie van betrokkene vormt, extra zorg moet worden gedragen voor een volstrekt heldere instructie over hoe te handelen, zodat risico’s van menselijk falen zoveel mogelijk worden uitgesloten.

4.6. In het geheel van vorengenoemde omstandigheden ziet de Raad onvoldoende aanleiding voor appellant om betrokkene niet eerst met de onjuistheid van zijn handelen te confronteren en hem een kans op verbetering te geven. De rechtbank heeft dan ook terecht geconcludeerd dat appellant onder deze omstandigheden niet bevoegd was betrokkene wegens ongeschiktheid te ontslaan. Nu bij de aangevallen uitspraak tevens het primaire ontslagbesluit van 1 maart 2007 is herroepen, volgt daaruit dat het dienstverband van betrokkene is hersteld. Mede gelet op de verbeterkans die aan betrokkene moet worden geboden ligt - anders dan de rechtbank heeft overwogen - herplaatsing naar een functie zonder financiële verantwoordelijkheid niet zonder meer voor de hand. De Raad zal de aangevallen uitspraak derhalve bevestigen met verbetering van gronden op laatstgenoemd punt.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de gemeente Waalwijk;

Bepaalt dat van de gemeente Waalwijk een griffierecht van € 433,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K.J. Kraan en B.W.N. de Waard als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 april 2009.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) M. Lammerse.

HD