Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI3110

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2009
Datum publicatie
07-05-2009
Zaaknummer
07-5989 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opschorting en intrekking recht op bijstand omdat appellant tweemaal geen gevolg had gegeven aan een uitnodiging voor een gesprek en in beide gevallen aan Sociale Zaken niet tijdig een bericht van verhindering had gegeven. Appellant heeft verzuimd binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde medewerking te verlenen. De Raad ziet evenals de rechtbank in de door appellant overgelegde gegevens geen aanknopingspunten voor het oordeel dat van appellant tijdens de in geding zijnde periode op medische gronden niet kon worden gevergd om naar het kantoor van SZ te komen en daar gedurende enige tijd een gesprek te voeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5989 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 september 2007, 06/4323 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft F.F. Henner, gemachtigde, hoger beroep ingesteld en nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2009. Voor appellant is verschenen F.F. Henner. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving een uitkering ingevolgde de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser en het College als verweerder is aangeduid, ontleent de Raad voorts het volgende:

“Bij brief van 12 april 2006 heeft de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Utrecht (hierna: Sociale Zaken) eiser uitgenodigd voor een gesprek op 21 april 2006 om 10.00 uur. Het doel van het gesprek was controle van gegevens in het kader van de verstrekking van bijstand aan eiser. Eiser heeft aan de uitnodiging geen gevolg gegeven en zich evenmin tijdig afgemeld.

Bij brief van 24 april 2006 heeft de afdeling Sociale Zaken eiser opnieuw uitgenodigd voor een gesprek, te houden op 4 mei 2006 om 16.45 uur. Dit gesprek heeft ook geen doorgang gevonden. Eiser heeft zich op voormeld tijdstip afgemeld.

Bij besluit van 11 mei 2006 heeft verweerder eisers recht op bijstand met ingang van 4 mei 2006 opgeschort, omdat eiser tweemaal geen gevolg had gegeven aan een uitnodiging voor een gesprek en in beide gevallen aan Sociale Zaken niet tijdig een bericht van verhindering had gegeven. Bij laatstgenoemd besluit is eiser tevens uitgenodigd voor een gespek op 17 mei 2006 om 10.00 uur en aan eiser meegedeeld dat indien hij zonder afmelding niet verschijnt, het recht op een bijstandsuitkering zal worden beëindigd. Eiser is op 17 mei 2006 om 10.00 uur niet te bestemde plaatse verschenen en heeft later op die dag telefonisch aan Sociale Zaken meegedeeld dat hij zich had verslapen.

Bij brief van 2 juni 2006 heeft Sociale Zaken eiser wederom uitgenodigd voor een gesprek, thans te houden op 8 juni 2006 om 16.00 uur. Eiser is niet op genoemd tijdstip verschenen.

Bij besluit van 13 juni 2006 heeft verweerder eisers recht op een bijstandsuitkering met ingang van 4 mei 2006 ingetrokken.”.

1.3. Bij besluit van 3 november 2006 heeft het College het tegen het besluit van 13 juni 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 3 november 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 54, vierde lid, van de WWB bepaalt dat, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het College na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

4.2. Appellant heeft tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand ingaande 4 mei 2006 op grond van de bij 4.1 genoemde bepaling stand kan houden.

4.3. Bij de beantwoording van de vraag of het College op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB in dit geval bevoegd was tot intrekking van de bijstand van appellant, staat in de eerste plaats ter beoordeling of appellant heeft verzuimd binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde medewerking te verlenen. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of appellant hiervan een verwijt kan worden gemaakt.

4.4. Bij het opschortingsbesluit is aan appellant de gelegenheid gegeven het verzuim te herstellen door op 17 mei 2006 op gesprek te komen. Vaststaat dat appellant aan de uitnodiging voor dat gesprek geen gevolg heeft gegeven. Hem is vervolgens - zoals blijkt uit onderdeel 1.2 - nogmaals de gelegenheid geboden met een medewerker van Sociale Zaken (SZ) een gesprek te voeren, maar ook die gelegenheid heeft appellant voorbij laten gaan.

4.5. Appellant stelt zich op het standpunt dat dit hem in verband met zijn medische situatie niet kan worden verweten. Evenals het College en de rechtbank volgt de Raad appellant daarin niet. De Raad merkt in de eerste plaats op dat appellant voor het afzeggen van de afspraken dan wel voor het zonder bericht niet verschijnen op het afgesproken tijdstip, andere dan medische redenen (zoals het zich verslapen, het missen van de bus of het te laat hebben ontvangen van de uitnodiging) heeft vermeld. Verder heeft appellant geen aannemelijke verklaring kunnen geven - ook niet ter zitting van de Raad - voor het feit dat hij (fysiek) wel in staat was om op 8 juni 2006 een brief af te geven bij de receptie van SZ, maar niet om op die dag aan de uitnodiging van SZ voor een gesprek gevolg te geven. Ten slotte ziet de Raad evenals de rechtbank in de door appellant overgelegde gegevens geen aanknopingspunten voor het oordeel dat van appellant tijdens de in geding zijnde periode op medische gronden niet kon worden gevergd om naar het kantoor van SZ te komen en daar gedurende enige tijd een gesprek te voeren.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat aan de in artikel 54, vierde lid, van de WWB gestelde toepassingsvoorwaarden is voldaan, zodat het College bevoegd was tot intrekking van de bijstand van appellant met ingang van 4 mei 2006. De Raad ziet in hetgeen appellant voor het overige heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken. Dat, zoals appellant stelt, hij als gevolg van de intrekking al geruime tijd geen inkomen heeft en daardoor onder meer de voor de behandeling van zijn ziekte noodzakelijke ziektekostenverzekering niet kan betalen, brengt daarin geen verandering. Zoals ter zitting is besproken, kan appellant zich tot het College wenden voor het indienen van een nieuwe aanvraag om bijstand, met dien verstande dat het aan hem is om de medewerking te verlenen die nodig is voor een goede beoordeling van die aanvraag.

4.7. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2009.

(get.) C. van Viegen.

(get.) B.E. Giessen.