Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI3097

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
07-05-2009
Zaaknummer
08-2312 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor de toeslag ter verbetering van zijn levensomstandigheden en voorzieningen voor huishoudelijke hulp en deelname aan het maatschappelijk verkeer. De Raad heeft te beoordelen of verweerster op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat bij appellant geen sprake is van met die gebeurtenissen samenhangend, tot blijvende invaliditeit leidend letsel. De Raad heeft in de gedingstukken van medische aard geen aanknopingspunten kunnen vinden om het standpunt van verweerster onjuist te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2312 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 29 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 11 maart 2008, kenmerk BZ 7679, JZ/F70/2008, ten aanzien van appellant genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2009. Namens appellant is verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard, en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, geboren in 1930 te Solo in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in augustus 2006 bij verweerster een aanvraag ingediend voor de toeslag ter verbetering van zijn levensomstandigheden ingevolge artikel 19 van de Wet en voorzieningen voor huishoudelijke hulp en deelname aan het maatschappelijk verkeer. Appellant heeft de aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan zijn oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië.

1.1. Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 14 maart 2007, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat er bij appellant geen sprake is van blijvende invaliditeit door het oorlogsgeweld. Daarbij is overwogen dat er bij appellant geen sprake is van psychische klachten die beperkingen opleveren in zijn dagelijks functioneren.

1.2. Namens appellant is dit standpunt van verweerster in beroep bestreden onder overlegging van een medisch advies d.d. 26 mei 2008 van de medisch adviseur van de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling (CAOR), de arts A.S.E.P. Textor en een brief d.d. 9 december 2007 van de huisarts A.H. Wintjens.

2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

2.1. Voor aan de Wet te ontlenen aanspraken van appellant heeft verweerster als relevante gebeurtenissen aanvaard dat appellant is geïnterneerd geweest in het Darmo-kamp alsmede dat hij direct betrokken is geweest bij beschietingen in de Darmo-wijk te Soerabaja tijdens de Bersiap-periode.

2.2. Gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wet heeft de Raad te beoordelen of verweerster op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat bij appellant geen sprake is van met die gebeurtenissen samenhangend, tot blijvende invaliditeit leidend letsel.

2.3. Het in het bestreden besluit neergelegde medisch standpunt van verweerster is in overeenstemming met adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Deze adviezen berusten in hoofdzaak op het door de arts J.J. Nasheed-Linssen ingestelde medische onderzoek d.d. 8 februari 2007. Hierbij kwamen uit de anamnese wel enige psychische klachten maar geen evidente kenmerken van een PTSS naar voren. Voorts zijn geen beperkingen in de vier categorieën van de voor de beoordeling van invaliditeit door verweerster gehanteerde schaal van de American Medical Association aangetroffen. Een causale relatie tussen de psychische klachten en het oorlogsgebeuren, c.q. de internering en beschietingen tijdens transport is volgens deze arts niet te leggen. Geconcludeerd is dat er geen sprake is van causale blijvende invaliditeit in de zin van de Wet. In zijn advies van 27 februari 2007 is de geneeskundig adviseur van verweerster, de arts P. Windels, tot de zelfde conclusie gekomen.

2.4. De Raad heeft in de gedingstukken van medische aard geen aanknopingspunten kunnen vinden om het standpunt van verweerster onjuist te achten. Hij overweegt daarbij het volgende.

2.5. Namens appellant is in beroep gewezen op een onzorgvuldige besluitvorming van de kant van verweerster, omdat bij het nemen van het primaire besluit geen informatie omtrent appellant beschikbaar was van diens huisarts, maar wel omtrent zijn echtgenote. De Raad kan appellant in deze opvatting niet volgen. Hij stelt daarbij vast dat de in beroep namens appellant ingezonden brief van zijn huisarts van 19 juli 2007 ook reeds in bezwaar was ingezonden en derhalve aan verweerster ter beschikking heeft gestaan bij haar besluitvorming over het thans bestreden besluit.

2.6. Appellant heeft voorts nog gewezen op het hiervoor genoemde ten behoeve van de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling opgestelde medische rapport, waaruit blijkt dat bij appellant sprake is van ( psychisch) oorlogsletsel dat op diverse terreinen beperkingen alsmede invaliditeit oplevert. De Raad kan aan dit rapport niet die betekenis toekennen die appellant daaraan toegekend wil zien. Hij overweegt daarbij dat, naar verweerster terecht naar voren heeft doen brengen, de uit dit rapport blijkende beperkingen op diverse terreinen medisch niet onderbouwd zijn, omdat de frequentie en intensiteit van de angstgevoelens en fobische klachten ontbreken en voorts dat onvol-doende onderscheid wordt gemaakt tussen met het oorlogsgeweld samenhangende psychische klachten en klachten uit andere oorzaken. Voorts moet de Raad vaststellen dat bij genoemd rapport wordt uitgegaan van de juistheid van het door arts Nasheed-Linssen verrichte onderzoek, maar wordt vastgesteld dat in de tijd na dit onderzoek sprake is geweest van veranderingen in de psychische status van appellant.

3. Gezien het voorgaande dient het ingestelde beroep ongegrond te worden verklaard.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 april 2009.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) K. Moaddine.

HD