Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI3095

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
07-05-2009
Zaaknummer
07-7048 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer. De Raad onderschrijft het uitgangspunt van verweerster dat het bij de toepassing van de Wet dient te gaan om de rechtstreekse gevolgen van de zelf ondervonden oorlogscalamiteiten. Dit betekent dat aan de gevolgen van het omkomen van vader door het genoemde bombardement - hoe ernstig ook - bij de beoordeling van de vraag of bij appellant sprake is van invaliditeit in de zin van de Wet geen zelfstandige betekenis kan toekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/7048 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 29 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 20 november 2007, kenmerk BZ 7853, JZ/I/70/2007 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2008. Na aanhouding is op verzoek van de Raad door verweerster nadere informatie verstrekt. Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 19 maart 2009. Appellant is beide malen, met voorafgaand bericht, niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. In september 2006 heeft appellant, geboren op 24 april 1942 te Vlissingen, bij verweerster een aanvraag ingediend om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en om toekenning van onder meer een periodieke uitkering. Deze aanvraag heeft appellant gebaseerd op psychische klachten, die naar zijn mening een gevolg zijn van zijn oorlogservaringen, te weten het meemaken van een bombardement op Vlissingen op zijn geboortedag bij welk bombardement zijn vader om het leven is gekomen.

1.2. Verweerster heeft de aanvraag van appellant afgewezen bij besluit van 29 mei 2007, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Overwogen is dat appellant weliswaar is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet - te weten het bombardement op Vlissingen op 24 april 1942 - maar dat niet is voldaan aan de ingevolge de Wet tevens geldende eis dat sprake is van lichamelijk en/of psychisch letsel tengevolge van de ondervonden oorlogscalamiteit, leidend tot blijvende invaliditeit. Hierbij is in aanmerking genomen dat bij appellant wel sprake is van psychische klachten, maar dat die niet rechtstreeks zijn toe te schrijven aan het bombardement maar aan traumatische jeugdervaringen en partnerrelatieproblemen.

1.3. In bezwaar en beroep heeft appellant vooral benadrukt dat het gemis van een vader in zijn leven een belangrijke rol heeft gespeeld, welk gemis onder de gegeven omstandigheden naar zijn mening voor de toepassing van de Wet dient mee te wegen. Verder heeft appellant verwezen naar een in juli 2007 door Centrum '45 opgemaakt intakeverslag, waarin naast andere stoornissen ook een Posttraumatische stressstoornis (PTSS) is gediagnosticeerd.

2. Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

2.1. Blijkens de gedingstukken is het door verweerster in het bestreden besluit neergelegde standpunt mede ontleend aan de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Die adviezen berusten op de resultaten van een op verzoek van verweerster door de arts J. van Hooidonk ingesteld medisch onderzoek van appellant en op informatie uit de behandelende sector, waaronder Centrum ’45. In die adviezen is aangegeven dat niet het bombardement zelf tot psychisch letsel bij appellant heeft geleid, maar dat wel het gemis van een vader en de slechte gezondheid en het vroege overlijden van zijn moeder bij appellant tot psychopathologie hebben geleid.

De op verzoek van de Raad nader door verweerster bij Centrum ’45 ingewonnen informatie over de grondslag van de gestelde diagnose PTSS heeft verweerster in navolging van een daarover uitgebracht advies van haar geneeskundig adviseur niet tot een ander standpunt gebracht. Hierbij is overwogen dat in de rapportage van Centrum ’45 de nadruk geheel ligt op de problematische jeugd van appellant en dat ook niet nader inzichtelijk is onderbouwd dat het bombardement zelf tot psychische klachten van appellant, die toen 1 dag oud was, heeft kunnen leiden.

2.2. De Raad onderschrijft het uitgangspunt van verweerster dat het bij de toepassing van de Wet dient te gaan om de rechtstreekse gevolgen van de zelf ondervonden oorlogscalamiteiten. Dit betekent dat aan de gevolgen van het omkomen van vader door het genoemde bombardement - hoe ernstig ook - bij de beoordeling van de vraag of bij appellant sprake is van invaliditeit in de zin van de Wet geen zelfstandige betekenis kan toekomen.

Hiervan uitgaande acht de Raad het bestreden besluit op grond van de uitgebrachte medische adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. In de ter beschikking staande medische en andere gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om aan de juistheid van die adviezen te twijfelen.

Hierbij laat de Raad mede wegen dat ook na specifieke vraagstelling aan Centrum ’45 niet van een overtuigende motivering voor de gestelde diagnose PTTS is kunnen blijken.

3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond bestaat, zodat het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.

4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 april 2009.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) K. Moaddine.

HD