Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI3092

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
07-05-2009
Zaaknummer
06-5748 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor een voorziening in de aanschafkosten van een auto. Verweerster had naar het oordeel van de Raad niet anders kunnen oordelen dan dat voor appellant geen reëel te achten mogelijkheden aanwezig zijn om op een normaal te achten wijze van een taxi gebruik te maken. De Raad is mitsdien van oordeel dat verweerster ten onrechte geen medische indicatie aanwezig heeft geacht voor de door appellant gevraagde voorziening.

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5748 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 29 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 24 augustus 2006, kenmerk CR 12285, BJZ 2006, waarbij uitvoering is gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2009. Aldaar is appellant verschenen, bijgestaan door mr. A. Bierenbroodspot, advocaat te Amsterdam. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, geboren in 1947, is met toepassing van artikel 3, tweede lid (oud), van de Wet met de vervolgde gelijk gesteld. Verweerster heeft daarbij aanvaard dat bij appellant sprake is van psychische klachten, die in overwegende mate verband houden met de vervolging van zijn ouders en de ten gevolge daarvan bij hem aanwezige vervolgings-aandoeningen. Aan appellant zijn in verband met deze psychische klachten een periodieke uitkering en diverse voorzieningen toegekend.

1.1. In maart 2002 heeft appellant bij verweerster een aanvraag ingediend voor een voorziening in de aanschafkosten van een auto. Deze aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 18 maart 2003, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 oktober 2004, op de grond dat voor de gevraagde voorziening geen medische noodzaak aanwezig is in verband met appellants met de vervolgingsaandoeningen van zijn ouders samenhangende psychische klachten. Verweerster heeft daarbij in het bijzonder overwogen dat appellant niet voldoet aan de door verweerster bij een aanvraag met betrekking tot de aanschafkosten van een auto gehanteerde voorwaarde dat sprake is van een absolute beperking om gebruik te maken van het openbaar vervoer, inclusief taxi. Naar het oordeel van verweerster is appellant niet onder alle omstandigheden beperkt om gebruik te maken van een taxi.

1.2.1. Bij uitspraak van deze Raad van 9 maart 2006, nr. 04/6747 WUV, is laatst genoemd besluit vernietigd. De Raad is tot deze uitspraak gekomen op grond van het rapport van 16 maart 2004 van psychiater H. de Jong te Amsterdam, zoals door deze nader toegelicht bij schrijven van 10 september 2004. Deze psychiater is op basis van bij appellant verricht onderzoek, bezien in relatie tot aan hem wegens vroegere behandelcontacten bekende feiten en omstandigheden tot de slotsom gekomen dat voor appellant het reizen per openbaar vervoer of per taxi onder geen enkele omstandigheid mogelijk is.

1.2.2. Naar het oordeel van de Raad wijst dit vanuit medisch psychiatrische deskundigheid gegeven oordeel sterk in de richting van het bestaan van een medische noodzaak voor de gevraagde voorziening en verweerster had naar het oordeel van de Raad niet van de conclusie van psychiater De Jong kunnen afwijken zonder andersluidend psychiatrisch oordeel ter onderbouwing van haar standpunt. Door het achterwege laten van een nadere psychiatrische expertise heeft, aldus de Raad, verweerster een besluit genomen met een onvoldoende draagkrachtige motivering

2. Om uitvoering te geven aan deze uitspraak heeft verweerster appellant laten onderzoeken door H.S.R. Witte, psychiater te Zeist, die op 13 juli 2006 omtrent zijn bevindingen verslag heeft gedaan. Verweerster heeft in overeenstemming met het op dit rapport gebaseerde advies van haar geneeskundig adviseur bij het thans bestreden besluit haar eerdere weigering van de door appellant gevraagde voorziening gehandhaafd op de grond dat bij appellant geen sprake is van een volledige beperking van het gebruik van een taxi, omdat hij in bepaalde situaties wel in staat wordt geacht met een taxi te reizen.

3. Partijen worden in dit geding verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of appellant in staat moet worden geacht om in bepaalde situaties met een taxi te reizen.

4. De Raad neemt voor zijn oordeelsvorming tot uitgangspunt het eerder genoemde rapport van psychiater H. de Jong, zoals nader toegelicht met diens schrijven van 10 september 2004. Hieruit blijkt dat naar het oordeel van deze psychiater het voor appellant onder geen enkele omstandigheid mogelijk is van openbaar vervoer en taxi gebruik te maken. Deze psychiater heeft als onderbouwing van zijn standpunt naar voren gebracht dat dit de bij appellant aanwezige paniekstoornissen versterkt. Overgeleverd zijn aan anderen in een beperkte ruimte genereert aldus deze psychiater bij appellant angst die ofwel paniek doet toenemen ofwel onderdrukt wordt met als gevolg verergering van de depressieve klachten.

4.1. Blijkens het door psychiater H.S.R. Witte uitgebrachte rapport onderschrijft deze de hiervoor weergegeven redenering van psychiater De Jong. Dit betekent, aldus Witte, dat een situatie waarbij controlebeleving teveel afwezig is ( bus, tram, trein, vliegtuig), de angst te hoog doet oplopen, paniek doet ontstaan en leidt tot calamiteiten, hetgeen ook geldt voor lange taxiritten in te kleine taxi’s. Daarentegen lijken volgens deze psychiater situaties waarin enige controle beleefd kan worden en onderdrukking van onderliggende angsten mogelijk is zoals korte taxiritten in een grote taxi en dan liefst achterin wel mogelijk, aangezien de exposure beperkt is in de tijd en niet hoeft te leiden tot depressieve klachten.

4.2. Naar het oordeel van de Raad heeft verweerster aan deze door psychiater Witte genoemde mogelijke uitzonderingssituatie een te groot gewicht toegekend. De Raad verwijst hiertoe naar het eerder genoemde rapport van psychiater de Jong alsmede naar de van de zijde van appellant in beroep ingezonden verklaring van 7 april 2008 van zijn behandelend psychotherapeut W.J.J. Peters, verbonden aan het Sinaï centrum. Deze laatste acht een beperking aanwezig voor alle vervoer per taxi. Naar zijn oordeel is het risico voor decompensatie bij hele korte ritten in een grote taxi weliswaar minder, maar nog steeds aanwezig. In ieder geval veroorzaakt het benauwdheden, al bij bespreking van het onderwerp.

4.3. Onder deze omstandigheden had verweerster naar het oordeel van de Raad niet anders kunnen oordelen dan dat voor appellant geen reëel te achten mogelijkheden aanwezig zijn om op een normaal te achten wijze van een taxi gebruik te maken. De Raad is mitsdien van oordeel dat verweerster ten onrechte geen medische indicatie aanwezig heeft geacht voor de door appellant gevraagde voorziening. Het beroep moet dan ook gegrond worden verklaard en het bestreden besluit moet worden vernietigd.

5. De Raad acht termen aanwezig verweerster met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad;

Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 april 2009.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) K. Moaddine.

HD