Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI3035

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2009
Datum publicatie
06-05-2009
Zaaknummer
08-785 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen vaststelling draagkracht met terugwerkende kracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/785 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 11 december 2007, 06/2555 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 1 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. van Straten, advocaat te Hengelo (O.), hoger beroep ingesteld.

De IB-Groep heeft verweer uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2009. Voor appellant is verschenen mr. Van Straten, voor de IB-Groep mr. M. van der Toorn.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellant is in het verleden studiefinanciering toegekend uit hoofde waarvan een studieschuld is ontstaan.

1.2. Op 20 maart 2006 heeft appellant een verzoek ingediend om vaststelling van zijn draagkracht over de jaren 2002 tot en met 2006.

1.3. Bij besluit van 27 juni 2006 is dat verzoek wat 2002 tot en met 2005 betreft afgewezen onder overweging dat vaststelling van draagkracht met terugwerkende kracht niet mogelijk is.

1.4. Bij besluit van 6 september 2006 is appellants draagkracht wat 2006 betreft per 1 april 2006 vastgesteld op nihil.

2. Bij besluit van 16 oktober 2006 zijn appellants bezwaren tegen die beide primaire besluiten ongegrond verklaard. Daartoe is het volgende overwogen.

Indien een verzoek om vaststelling van draagkracht is ingediend op of na 1 januari van een kalenderjaar, dan wordt ingevolge artikel 6.10 van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) de draagkracht eerst per de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin dat verzoek is ingediend, vastgesteld.

Van een eerder ingediend verzoek om vaststelling van zijn draagkracht wat 2002 tot en met 2005 betreft is bij onderzoek niet kunnen blijken.

Voor toepassing van de in artikel 11.5 van de WSF 2000 vervatte hardheidsclausule bestaat geen aanleiding, omdat niet is gebleken van (zeer) bijzondere individuele omstandigheden.

3.1. Bij de aangevallen uitspraak is appellants beroep tegen dat besluit op bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

3.2. De aflosfase met betrekking tot appellants studieschuld is begonnen in 2002, zodat vaststelling van appellants draagkracht wat 2001 betreft niet aan de orde kan zijn.

Wat 2002 tot en met 2005 betreft is aan te nemen dat appellant geen (schriftelijk) verzoek om draaglastvaststelling heeft ingediend; dat appellant niet tot indiening daarvan is overgegaan, omdat hij niet of niet tijdig kon beschikken over de benodigde inkomensverklaring van de Belastingdienst, is een omstandigheid die voor appellants rekening en risico dient te blijven.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij wat 2002 tot en met 2005 betreft onjuist is voorgelicht door medewerkers van de Informatie Beheer Groep, doordat zij hem in zijn (telefonische) contacten nooit hebben meegedeeld dat hij veiligheidshalve een onvolledig verzoek had kunnen indienen.

Niet ten onrechte is appellants draagkracht eerst per 1 april 2006 vastgesteld.

Appellants beroep op de hardheidsclausule kan niet slagen, omdat hetgeen appellant in dat kader heeft aangevoerd niet als een tot toepassing daarvan nopende bijzondere omstandigheid kan worden aangemerkt.

4. In hoger beroep heeft appellant in essentie herhaald hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd met dit verschil dat hij in hoger beroep heeft gesteld wat 2002 tot en met 2005 betreft telkens een schriftelijk verzoek om vaststelling van zijn draagkracht zonder inkomensverklaring te hebben ingediend met telkens een afwijzing als gevolg.

5.1. De Raad kan zich geheel vinden in de aangevallen uitspraak, deelt ten volle de overwegingen van de rechtbank, maakt die dan ook tot de zijne en overweegt daarbij nog het volgende.

5.2. Ter zitting van de Raad is komen vast te staan dat niet langer in geschil is dat de aflosfase met betrekking tot appellants studieschuld is begonnen in 2002.

Evenmin als in de beroepsprocedure heeft appellant zijn stellingen met enig relevant schriftelijk stuk of anderszins onderbouwd, terwijl de IB-Groep heeft ontkend dat zij wat 2002 tot en met 2005 betreft - al dan niet telkenjare - van appellant een verzoek om vaststelling van zijn draagkracht heeft ontvangen, zodat er evenmin sprake kan zijn van een afwijzing daarvan, en tevens heeft ontkend dat wat diezelfde periode betreft harerzijds bij appellant enige door haar te honoreren verwachting is gewekt. De door appellant ter zitting van de rechtbank overgelegde brief van de IB-Groep van 5 januari 2007 maakt dat niet anders, ten eerste niet omdat die brief betrekking heeft op een door appellant ingediend verzoek om vaststelling van zijn draagkracht wat 2007 betreft en ten tweede niet omdat daarin is aangegeven dat, indien een inkomensverklaring 2005 van de Belastingdienst nog niet beschikbaar is, kan worden volstaan met een kopie van de (door een accountant of administratiekantoor opgestelde) belastingaangifte 2005 die binnen vier weken aan de IB-Groep moet worden toegezonden, omdat anders het verzoek niet in behandeling wordt genomen.

Gelet op de ontkenning door de IB-Groep had het op de weg van appellant gelegen om zijn stellingen met stukken of anderszins te onderbouwen. Appellant is hierin niet geslaagd.

5.3. Uit het hiervoor overwogene volgt dat de Raad evenmin als de rechtbank toekomt aan appellants beroep op het zogenoemde dispositievereiste, terwijl toepassing van de in artikel 11.5 van de WSF 2000 vervatte hardheidsclausule in dit geval niet aan de orde is.

6. Gelet op het vorenstaande treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst - Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.C.A. Wit.

TM