Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI3033

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
07-05-2009
Zaaknummer
08-2515 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering toe te kennen. Maatregel. Verwijtbare werkloosheid. Op grond van de gedragingen zoals beschreven in de gedingstukken, welke door appellant op zich niet worden betwist, is ook de Raad van oordeel dat appellant redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat de NS dergelijk gedrag niet kan tolereren en tot beëindiging van de dienstbetrekking zou kunnen overgaan. Het Uwv heeft op goede gronden gesteld dat appellant de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW neergelegde verplichting om te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt niet is nagekomen. Geen sprake van dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2515 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 17 maart 2008, 07/4234 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 april 2009.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. B. Wernik, advocaat te Haarlem.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wernik. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Aan de gedingstukken ontleent de Raad dat appellant vanaf 3 februari 1982 werkzaam was bij NS reizigers B.V. (hierna: NS en werkgever) aanvankelijk als treinsurveillant en laatstelijk als [naam functie] op basis van een 36-urige werkweek. Naar aanleiding van twee incidenten - op 27 november 2004 heeft appellant een reiziger een kaakslag gegeven en op 28 november 2004 een reiziger vanuit de trein hardhandig op het perron gezet - heeft de werkgever de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met appellant te ontbinden. Bij beschikking van 29 maart 2005 heeft de kantonrechter de arbeidsovereen-komst, onder toekenning van een vergoeding van € 25.000,-- bruto terzake van in de toekomst te derven inkomsten, met ingang van 1 mei 2005 ontbonden.

2.1. Appellant heeft een uitkering ingevolge de WW aangevraagd, welke hem bij besluit van 20 februari 2007 met ingang van 20 juni 2006 bij wijze van maatregel blijvend geheel is geweigerd. Het tegen dit besluit door appellant ingediende bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 29 mei 2007, het bestreden besluit, ongegrond verklaard. Daartoe heeft het Uwv overwogen dat de twee incidenten gezien de ernst van de misdragingen en de agressie op zichzelf voldoende zijn om verwijtbare werkloosheid aan te nemen. Appellant had redelijkerwijs kunnen begrijpen dat zulk gedrag de beëindiging van het dienstverband tot gevolg zou kunnen hebben. Volgens het Uwv is het gedrag verwijtbaar jegens de NS omdat de NS hiermee in diskrediet wordt gebracht. De NS heeft juist vriendelijk en servicegericht personeel nodig dat juist op de moeilijke momenten zijn zelfbeheersing niet verliest. In de gegeven omstandigheden had van appellant verwacht mogen worden dat hij het contact met de reizigers op die momenten had overgelaten aan zijn collega’s.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, waarbij de rechtbank het standpunt van het Uwv heeft onderschreven. De rechtbank heeft daarbij nog in aanmerking genomen dat ook indien op grond van verklaringen van appellant en zijn collega’s moet worden aangenomen dat appellant werd geprovoceerd, zulks niet afdoet aan het feit dat appellant het initiatief heeft genomen tot het fysieke geweld jegens de reizigers. Daarbij acht de rechtbank van belang dat appellant reeds 25 jaar bij de NS in dienst was, en zich derhalve niet kan beroepen op onbekendheid met de gedragsregels die zijn werkgever ten opzichte van klanten verwacht. Van feiten of omstandigheden die wijzen op verminderde verwijtbaarheid is de rechtbank niet gebleken.

4. In hoger beroep betoogt appellant dat het voor hem gelet op zijn privésituatie, zijn jarenlange staat van dienst van 25 jaar bij de NS, zijn gezondheids- en financiële situatie niet te voorzien was dat de twee incidenten tot ontslag zouden leiden. Appellant vestigt in dit verband de aandacht op de omstandigheid dat hij op discriminerende wijze door een reiziger werd geprovoceerd. Verder is hij van mening dat hem een mildere straf toekomt nu de twee incidenten elkaar zeer kort opvolgden, als één incident beschouwd kunnen worden en dat het de eerste keer was dat appellant hiermee werd geconfronteerd.

4.1. In verweer blijft het Uwv bij haar standpunt zoals neergelegd in het bestreden besluit en geeft voorts aan dat van feiten of omstandigheden die wijzen op verminderde verwijtbaarheid niet is gebleken.

5. De Raad, oordelend over de aangevallen uitspraak, overweegt als volgt.

5.1. De Raad stelt zich, gelet op de zich onder de gedingstukken bevindende gegevens, achter het oordeel van de rechtbank en de door haar aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. Op grond van de gedragingen zoals beschreven in de gedingstukken, welke door appellant op zich niet worden betwist, is ook de Raad van oordeel dat appellant redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat de NS dergelijk gedrag niet kan tolereren en tot beëindiging van de dienstbetrekking zou kunnen overgaan. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat van appellant, die een lange staat van dienst heeft bij de NS, verwacht had mogen worden dat hij op de onderhavige incidenten had gereageerd zonder fysiek geweld te gebruiken. Het Uwv heeft op goede gronden gesteld dat appellant de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW neergelegde verplichting om te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt niet is nagekomen.

5.2. In hetgeen overigens nog is aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om te concluderen dat er sprake van was dat de aldus ontstane werkloosheid appellant niet in overwegende mate valt te verwijten. De omstandigheid dat de twee incidenten zo kort op elkaar volgden en de lengte van het dienstverband spelen in dit verband geen rol. Evenmin is de Raad gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 27, zesde lid, van de WW. Dit brengt met zich dat het Uwv gehouden was de WW-uitkering blijvend en geheel te weigeren.

6. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht

bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H.G. Rottier en R. van der Spoel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 april 2009.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

BvW