Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI3028

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2009
Datum publicatie
07-05-2009
Zaaknummer
08-2992 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAZ-uitkering toe te kennen. Het Uwv heeft terecht een WAZ-uitkering geweigerd omdat de beperkingen van appellant in de periode van vijf jaar vanaf de datum in geding niet zijn toegenomen. De Raad ziet in de beschikbare medische gegevens geen redenen om te twijfelen aan het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2992 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 april 2008, 07/1421 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2009. Appellant is aldaar verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 1 maart 1998 uitgevallen voor zijn werk als zelfstandig marktkoopman als gevolg van rugklachten.

1.2. Na het doorlopen van de wachttijd van 52 weken is appellant per 28 februari 1999 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) geweigerd omdat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht. De beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid was mede gebaseerd op het verzekeringsgenees-kundige oordeel dat appellant beperkt was voor zware rugbelasting in die zin dat er onder andere beperkingen golden ten aanzien van lang zitten, staan, tillen, dragen en gebogen werken.

2.1. Op 16 juni 2005 heeft appellant gemeld dat zijn rugklachten zijn toegenomen. Naar aanleiding van deze melding heeft verzekeringsarts N. Sarnavesht op 25 juli 2005 een onderzoek verricht. In zijn rapport van dezelfde datum heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat de eerste dag van toegenomen arbeidsongeschiktheid niet is gelegen binnen vijf jaar na de eerdere arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Daarbij is overwogen dat de beperkingen van appellant begin 2005 zijn toegenomen omdat appellant pas op 2 maart 2005 is verwezen naar de neuroloog. Vervolgens heeft het Uwv appellant bij besluit van 2 augustus 2005 een WAZ-uitkering geweigerd.

2.2. In de bezwaarfase heeft bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink appellant gezien op de hoorzitting en hem aansluitend onderzocht. De bezwaarverzekeringsarts heeft informatie ingewonnen bij de behandelend huisarts, die daarop heeft gereageerd bij brief van 30 maart 2007, waarbij tevens brieven van de orthopedisch chirurg van 8 december 2003 en de neuroloog van 2 maart 2005 waren gevoegd. Na weging van de beschikbare medische gegevens heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 27 februari 2007/3 april 2007 geconcludeerd dat er geen toename van de beperkingen is per 1 maart 2004 (lees: na 28 februari 1999) en dat er geen argumenten zijn om af te wijken van het primaire medische oordeel. Bij besluit van 11 mei 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van

2 augustus 2005 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft geen redenen gezien om te twijfelen aan het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts. De rechtbank heeft vervolgens bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. In hoger beroep is door appellant aangevoerd dat zijn rugklachten in de loop der jaren zijn verergerd en dat de verergering al vóór 28 februari 2004 is opgetreden. De rugklachten worden veroorzaakt door slijtage van de rug, ontstaan door het werk als stratenmaker dat appellant 30 jaar heeft verricht.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en sub b, van de WAZ, vindt toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra de arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd, indien de verzekerde die aan het einde van de wachttijd, bedoeld in artikel 7, tweede lid, ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, maar geen recht had op arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was, binnen vijf jaar na het bereiken van het einde van die wachttijd arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.

5.2. In geschil is of het Uwv terecht een WAZ-uitkering heeft geweigerd omdat de beperkingen van appellant in de periode van vijf jaar vanaf 28 februari 1999 niet zijn toegenomen.

5.3. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Evenals de rechtbank ziet de Raad in de beschikbare medische gegevens geen redenen om te twijfelen aan het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts. In de hiervoor genoemde rapporten van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts is voldoende gemotiveerd dat de beperkingen van appellant in de periode van vijf jaar na de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per 28 februari 1999 niet zijn toegenomen. Daarbij is onder meer betrokken dat appellant pas begin 2005 vanwege zijn toegenomen rugklachten is verwezen naar de neuroloog, die na onderzoek tot vrijwel dezelfde bevindingen is gekomen als de orthopedisch chirurg die appellant in november 2003 heeft onderzocht: chronisch aspecifieke lage rugklachten en geen arthrose (slijtage). Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt dat zijn beperkingen als gevolg van rugklachten binnen vijf jaar na 28 februari 1999 zijn toegenomen.

5.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.M. Tason Avila.

MH