Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI3023

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
06-05-2009
Zaaknummer
07/6561 AW + 07/6697 AW + 07/6921 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herplaatsing. Wijziging in bezolding. Afwijzing sollicitatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2009/140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6561 AW, 07/6697 AW en 07/6921 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

de Korpsbeheerder van de politieregio Midden en West Brabant (hierna: korpsbeheerder)

en

[betrokkene], (hierna: betrokkene)

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 oktober 2007, 06/6624 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

de korpsbeheerder

Datum uitspraak: 29 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Op 21 november 2007 heeft de korpsbeheerder ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2009. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. N.D. Dane, advocaat te Woerden. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Andelbeek, werkzaam bij de politieregio Midden en West Brabant.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene is sinds 16 mei 2000 vanwege een beperkte belastbaarheid aan haar knie blijvend ongeschikt voor haar functie van Basis Politie Functionaris C (hierna: BPF C); een functie in schaal 8 van het Bezoldigingsbesluit Politie (Bbp), die zij in een deeltijddienstverband van 16 uur per week vervulde. In een brief van 28 november 2002 zijn met betrokkene gemaakte afspraken neergelegd, die - kort samengevat - onder meer inhouden dat betrokkene met ingang van 1 januari 2003 op grond van het destijds geldende artikel 64a van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) wordt geplaatst als medewerker bedrijfsbureau B (schaal 6), dat de bezoldiging gehandhaafd wordt op schaal 8, dat betrokkene als herplaatsbaar ambtenaar wordt aangemeld, en dat zowel betrokkene als de politieregio een inspanningsverplichting heeft om te zoeken naar passende c.q. gangbare arbeid op het niveau van schaal 8.

1.2. Volgens een op 16 juli 2004 door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) uitgebracht Functieongeschiktheidsadvies is betrokkene voor de functie van BPF C op de voorgenomen ontslagdatum 2 jaar arbeidsongeschikt wegens ziekte en zal zij dat naar verwachting ook nog zijn 6 maanden na die datum. De korpsbeheerder heeft betrokkene bij besluit van 20 augustus 2004 met ingang van 1 september 2004 de functie van medewerker bedrijfsbureau B opgedragen en de bezoldiging vastgesteld op schaal 6. Op verzoek van betrokkene is haar werktijd eveneens met ingang van 1 september 2004 uitgebreid naar 28 uur per week.

1.3. Bij besluit van 22 maart 2005 is betrokkene meegedeeld dat haar sollicitatie naar het taakaccent Team Informatie Coördinator (TIC) niet verder in behandeling wordt genomen.

1.4. De bezwaren van betrokkene tegen de besluiten van 20 augustus 2004 en 22 maart 2005 zijn bij het bestreden besluit van 20 november 2006 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene, voor zover dat is gericht tegen de wijziging van haar bezoldiging per 1 september 2004 van schaal 8 naar schaal 6 gegrond verklaard, omdat betrokkene er naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat zij de bezoldiging naar schaal 8 zou behouden zolang zij in de functie van medewerker bedrijfsbureau B geplaatst was. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep van betrokkene ongegrond verklaard. Tevens zijn bepalingen gegeven over proceskosten en griffierecht.

3. Het hoger beroep van de korpsbeheerder richt zich tegen de gedeeltelijke gegrondverklaring van het beroep van betrokkene. Het hoger beroep van betrokkene richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het vertrouwen van betrokkene dat haar bezoldiging in schaal 8 gehandhaafd zou blijven, zich niet uitstrekt over de uren waarmee haar aanstelling is uitgebreid en tegen de ongegrondverklaring van haar beroep tegen de afwijzing van haar sollicitatie.

4. De Raad stelt vast dat het geding in hoger beroep zich op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede uitstrekt tot het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak gegeven nieuwe besluit van 21 november 2007, dat niet geheel aan de bezwaren van betrokkene tegemoet komt.

5. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

5.1. De bezoldiging

5.1.1. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit de afspraken zoals die zijn opgenomen in de brief van 28 november 2002 volgt dat de plaatsing van betrokkene in de functie van medewerker bedrijfsbureau B per 1 januari 2003 destijds een tijdelijk karakter had. Overeenkomstig de afspraken is betrokkene immers tevens aangemerkt als herplaatsingskandidaat en hebben de korpsbeheerder en betrokkene gezocht naar functies op het niveau van schaal 8. Anders dan de rechtbank ziet de Raad in de omstandigheid dat geen voorbehoud is gemaakt bij de salariëring naar schaal 8 geen grond voor het oordeel dat betrokkene daaraan het vertrouwen zou mogen ontlenen dat zij die salariëring te allen tijde behoudt zolang zij de functie van medewerker bedrijfsbureau B vervult. De afspraak over de bezoldiging kan namelijk niet los worden gezien van de overige afspraken en die afspraken wijzen allen op een tijdelijke situatie.

5.1.2. Aan deze tijdelijke situatie is met het op grond van artikel 64a van het Barp definitief opdragen aan betrokkene van de functie van medewerker bedrijfsbureau B - nadat de herplaatsingsinspanningen niet tot (een ander) resultaat hadden geleid - een einde gekomen. Tussen partijen is niet in geschil en de Raad sluit zich daarbij aan dat het hier om een voor betrokkene passende functie gaat. Artikel 6, zesde lid, aanhef en onder b, van het Bbp is in deze situatie van toepassing en vormt de grondslag om betrokkene met ingang van 1 september 2004 te salariëren overeenkomstig de voor de functie van medewerker bedrijfsbureau B geldende salarisschaal 6.

5.1.3. Hieruit volgt dat het hoger beroep van de korpsbeheerder slaagt. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking evenals het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 21 november 2007, waaraan de grondslag is komen te ontvallen. Het hoger beroep van betrokkene, voor zover gericht op de bezoldiging, slaagt niet.

5.2. De sollicitatie

5.2.1. Betrokkene heeft door de definitieve plaatsing per 1 september 2004 de status van herplaatsbaar ambtenaar verloren en kon zich bij de sollicitatie naar het taakaccent TIC niet meer beroepen op een voorrangspositie. Bovendien was geen sprake van een functie, maar van een deeltaak die slechts door een executieve politieambtenaar kan worden uitgeoefend. Gelet op de blijvende ongeschiktheid van betrokkene als executieve politieambtenaar, mede in het licht van de eisen die in de Regeling toetsing geweld-beheersing politie aan executieve politieambtenaren worden gesteld, kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat de korpsbeheerder niet in redelijkheid tot afwijzing van de sollicitatie van betrokkene heeft kunnen komen. Het hoger beroep van betrokkene, gericht op de afwijzing van de sollicitatie voor het taakaccent TIC, slaagt niet.

6. De Raad zal ter wille van de duidelijkheid de aangevallen uitspraak in haar geheel vernietigen en doen wat de rechtbank zou behoren te doen.

7. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb betreffende vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 20 november 2006 ongegrond;

Vernietigt het besluit van 21 november 2007.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 april 2009.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD