Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI3020

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2009
Datum publicatie
06-05-2009
Zaaknummer
07-6616 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongeval op het werk. Schadevergoeding en aanvullende uitkering. Het aan appellant overkomen ongeval vindt zijn oorzaak niet in de aard van de hem opgedragen werkzaamheden of de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2009/135
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6616 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 22 oktober 2007, 05/2856 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van bestuur van de Universiteit Utrecht (hierna: college)

Datum uitspraak: 16 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2009. Voor appellant is verschenen mr. Th.A. Velo, advocaat te Utrecht. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.J. van de Pas, werkzaam bij de Universiteit Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

1. Onder verwijzing overigens naar het in de aangevallen uitspraak gegeven overzicht van de in geding van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het volgende.

1.1. Bij appellant is tijdens het uitvoeren van zijn werk als medewerker algemeen beheer bij de Universiteit Utrecht op 9 mei 2000 een van de muur los geraakt zogeheten white- board op zijn nek en schouders gevallen. Appellant heeft het college aansprakelijk gesteld voor alle uit het ongeval voortvloeiende schade. Hij heeft het college voorts verzocht om een aanvullende uitkering op grond van artikel 41 van de Ziekte- en Arbeidsongeschikt-heidsregeling Nederlandse Universiteiten (ZANU).

Appellant ontving een gedeeltelijke uitkering op grond van de Wet op de arbeids-ongeschiktheidsverzekering (WAO). Deze uitkering is na het ongeval per einde wachttijd op 8 mei 2001, verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Per 1 juni 2002 is het dienstverband beƫindigd.

1.2. Het college heeft bij besluit van 12 januari 2005 appellants verzoeken om schadever-goeding en aanvullende uitkering afgewezen. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 januari 2005 heeft het college ongegrond verklaard bij besluit van 26 augustus 2005.

2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het besluit van 26 augustus 2005 vernietigd voor zover het strekt tot handhaving van de afwijzing van appellants verzoek om schadevergoeding. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond geacht. Het college heeft in de aangevallen uitspraak berust.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de ZANU wordt aan de gewezen ambtenaar die een WAO-uitkering ontvangt, een aanvullende uitkering verleend als zijn arbeidsonge-schiktheid naar het oordeel van de werkgever in overwegende mate werd veroorzaakt door de aard van de hem opgedragen werkzaamheden of door de bijzondere omstan-digheden waaronder deze moesten worden verricht en de arbeidsongeschiktheid niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten.

3.2. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of het college zich op het standpunt kan stellen dat het aan appellant overkomen ongeval zijn oorzaak niet vindt in de aard van de hem opgedragen werkzaamheden of de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht.

3.3. De Raad beantwoordt deze vraag, evenals het college en de rechtbank, bevestigend. Aan een regeling als neergelegd in artikel 41 van de ZANU ligt het uitgangspunt ten grondslag dat de overheidswerkgever die de ambtenaar werkzaamheden opdraagt en hem daarmee blootstelt aan een - gelet op de aard van die werkzaamheden of de omstandig-heden waaronder zij moeten worden verricht - verhoogd risico, de aanvullende uitkering voor zijn rekening moet nemen.

3.4. De Raad is niet gebleken dat het zitten van appellant op een werkplek op de universiteit een bijzonder risico op het ontstaan van ongevallen met zich bracht. Het feit dat een whiteboard op appellant is gevallen, is toe te schrijven aan een ongelukkig toeval. Het is een ongeval dat in een vergelijkbare vorm ook op een andere plek, bijvoorbeeld in een thuissituatie, had kunnen plaatsvinden. Het enkele feit dat het ongeval plaatsvond in een werkruimte, tijdens opgedragen werkzaamheden, is onvoldoende om het vereiste specifieke verband tussen de dienst en het ongeval aan te nemen. Ook hetgeen door appellant op de zitting is gesteld, hetgeen het college niet heeft weersproken, namelijk dat het gebouw ten tijde van het ongeval werd verbouwd en dat de werkplekken werden aangepast, vormt voor de Raad geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen. Niet is gebleken dat het losraken van het whiteboard met deze verbouwing en aanpassingen verband heeft.

3.5. Verder voert appellant aan dat het college met zijn besluit om geen aanvullende uitkering toe te kennen, terugkomt van eerdere toezeggingen, waarop appellant heeft mogen vertrouwen. Appellant verwijst naar een e-mail van de personeelsfunctionaris, waaraan hij de verwachting heeft mogen ontlenen dat hem een aanvullende uitkering zou worden verstrekt.

3.6. De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt. Een beroep op het vertrouwens-beginsel kan alleen slagen, als door een tot beslissen bevoegd orgaan ten aanzien van een aanvrager uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen zijn gedaan die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Aan deze vereisten wordt in dit geval niet voldaan. De personeelsfunctionaris is niet bevoegd om te beslissen over de toekenning van een aanvullende uitkering. Bovendien acht de Raad gelet op de tekst van de e-mail geen sprake van uitdrukkelijke, ondubbelzinnige toezeggingen.

3.7. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.J. Schaap als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 april 2009.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD