Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI3004

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2009
Datum publicatie
06-05-2009
Zaaknummer
07-650 AW + 07-651 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoldoende resultaatbeoordeling. Eervol ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de door hem vervulde functie anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/650 AW + 07/651 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Arnhem van 27 november 2006, 06/4438, 06/5724 en 06/5725 (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van Bestuur van het Kadaster (hierna: bestuur)

Datum uitspraak: 23 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraken hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2009. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. E.F.E. van Essen, advocaat te Apeldoorn. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.J.M. van Aken, advocaat in dienst van het Kadaster te Apeldoorn. De zaken zijn gevoegd behandeld.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant is met ingang van 1 april 2000 voor onbepaalde tijd bij het Kadaster in dienst getreden in de functie van [naam functie] op het niveau van medior (hierna: [naam functie]). Bij besluit van 30 januari 2006 is de resultaatbeoordeling over het jaar 2005 vastgesteld met als eindoordeel: ‘voldoet niet aan de functie-eisen en de contract-afspraken’. Bij besluit van 10 mei 2006 is appellant met ingang van 1 augustus 2006 eervol ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de door hem vervulde functie anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

1.2. Bij besluit van 28 juni 2006 is het bezwaar van appellant tegen de resultaatbeoor-deling over het jaar 2005 vanwege enkele administratieve aanpassingen gegrond verklaard, maar is het oordeel ‘voldoet niet aan de functie-eisen en de contractafspraken’ gehandhaafd.

Bij besluit van 28 september 2006 is het bezwaar van appellant tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard. Tegen beide besluiten heeft appellant beroep ingesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellant ongegrond verklaard. Ten aanzien van de resultaatbeoordeling over het jaar 2005 was de rechtbank van oordeel dat niet kon worden gezegd dat zij op onvoldoende gronden berustte. Wat betreft het ongeschiktheidsontslag oordeelde de rechtbank dat op grond van alle beschik-bare gegevens genoegzaam was komen vast te staan dat appellant de geschiktheid en bekwaamheid mist om zijn functie van [naam functie] in volle omvang en op het gewenste niveau te vervullen.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Bij de beoordeling van het functioneren van zijn ambtenaren maakt het bestuur gebruik van de Regeling Personeelsmanagementcyclus (hierna: regeling). Uitgangspunt van die regeling is dat het bevoegd gezag met de ambtenaar over - in beginsel - een periode van een jaar contractafspraken maakt over de door de ambtenaar te leveren prestaties, de wijze waarop die prestaties worden geleverd en de ontwikkeling van de ambtenaar alsmede eventuele bijzondere condities tegen de achtergrond van normaal te stellen functie-eisen. Gedurende de looptijd van het contract wordt ten minste één en zo nodig meer voort-gangsgesprekken gehouden. In het voortgangsgesprek komt in ieder geval de functie-vervulling van de ambtenaar aan de orde.

3.2. In 2003 zijn met appellant verschillende voortgangsgesprekken gehouden, omdat hij onvoldoende productie leverde binnen het zogeheten KOL-team. Daarbij is de vraag aan de orde gekomen of appellant het niveau van medior wel aankon. Appellant is vervolgens ingezet op kleinere, meer afgebakende klussen. Voorts is afgesproken dat bekeken zou worden of de productiviteit van appellant kon worden verbeterd door hem een assessmenttraject te laten volgen. De resultaatbeoordeling van appellant over het jaar 2003 was (met de nodige kanttekeningen) voldoende.

3.3. In maart 2004 is aan FunktieMediair de opdracht verstrekt tot het uitvoeren van een potentieelonderzoek ten behoeve van appellant. Uit dat onderzoek kwam naar voren dat het bij appellant schort aan de competenties ‘resultaatgerichtheid’, ‘aanpassings-vermogen’, ‘probleemanalyse’, ‘creativiteit en inventiviteit’ en ‘onafhankelijkheid en stevigheid’. Vervolgens is met appellant een individueel coachingstraject aangegaan dat tot doel had om hem voldoende te laten functioneren op het niveau van [naam functie]. Met appellant is in eerste instantie een drietal coachingsgesprekken gehouden. Die gesprekken hebben het volgende opgeleverd: (i) inzicht in gedragsvoorkeuren, de belemmeringen en de voorkeuren; (ii) een actieplan om de ontwikkelpunten aan te pakken; (iii) afspraken over op welke manier een positieve aanpak kan worden ingezet; en (iv) duidelijkheid over het feit dat het geen vrijblijvend traject is en er consequenties aan zijn verbonden. Voor het jaar 2005 was een achttal coachingsbijeenkomsten gepland. In die bijeenkomsten stonden centraal: (i) planning en effectiviteit, omgaan met workload; (ii) effectief gedrag; en (iii) communicatie. Het coachingstraject is begin 2006 beëindigd.

3.4. Op 13 januari 2005 heeft appellant zich contractueel verbonden om in de volle breedte van zijn functie inzetbaar te zijn en - voor zover hier van belang - verantwoor-delijk te zijn voor het inrichten van de technische projectomgeving, het uitwerken van het logisch model, het specificeren van de (capaciteits)eisen aan de technische infrastructuur alsmede zelfstandig te kunnen functioneren, eigen standpunten tegenover anderen durven handhaven en verdedigen en kritiek en tegenslagen kunnen incasseren. Wat betreft het inrichten van de technische projectomgeving diende de rol die appellant daarin moest vervullen te beantwoorden aan de kenmerken ‘kwaliteitsbewustheid’, ‘creativiteit en aanpassingsvermogen’ en ‘onafhankelijkheid en stevigheid’. De rol die door appellant moest worden vervuld bij het inrichten van de technische projectomgeving diende te voldoen aan de kenmerken ‘resultaatgerichtheid’, ‘creativiteit en inventiviteit’ en ‘communicatievermogen’.

3.5. Blijkens de eindbeoordeling heeft appellant de hierboven vermelde contractafspraken niet gehaald. Hoewel appellant op de voor hem bekende terreinen binnen aanvaardbare tijd werk aflevert van (ruim) voldoende kwaliteit en op het gebied van (fout)analyse binnen die scope voldoende efficiënt en effectief werkt, functioneert hij op de terreinen waar minder grenzen zijn of waar minder duidelijkheid bestaat, onvoldoende. De zwakke punten van appellant komen met name tot uiting in de voorfase van een project waarin de zaken nog moeten uitkristalliseren en waarin nog keuzen gemaakt moeten worden. Daardoor is de inzet van appellant niet volledig en is deze beperkt tot kortlopende opdrachten binnen duidelijke kaders. De competenties waarop appellant op het niveau van [naam functie] goed scoort zijn ‘teamgerichtheid’, ‘kwaliteitsbewustheid’ en ‘flexibiliteit’. De competenties ‘resultaatgerichtheid’, ‘probleemanalyse’, ‘creativiteit’ en ‘communicatie’ vertonen tekortkomingen, waardoor een onevenredige management-ondersteuning noodzakelijk is zodat eigenlijk sprake is van functioneren op het niveau van SE-junior. Appellant scoort ronduit onvoldoende op de competentie ‘onafhankelijkheid’ c.q. ‘zelfstandigheid’.

3.6. Gelet op hetgeen onder 3.4 en 3.5 is vastgesteld, is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de resultaatbeoordeling over het jaar 2005 op onvoldoende gronden berust.

4. Voor de rechterlijke beoordeling van een ontslag als het onderhavige geldt als toetsingskader dat de ongeschiktheid voor de functie moet worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar; hij moet tijdig met zijn tekortkomingen zijn geconfronteerd en in de gelegenheid zijn gesteld om zijn functioneren te verbeteren.

4.1. De Raad acht gezien hetgeen hij hierboven met betrekking tot de beoordeling over het jaar 2005 heeft overwogen, in samenhang met de over de jaren 2003 en 2004 vastgestelde resultaatbeoordelingen, voldoende onderbouwd dat appellant ongeschikt is voor zijn functie van [naam functie]. Hoewel de resultaatbeoordeling van 2003 voldoende was, blijkt uit de brieven van november 2003 dat appellant ook toen al onvoldoende productie leverde en daardoor op een ander project - van een lager niveau - is geplaatst. Blijkens de brief van 12 november 2003 onderschreef appellant het oordeel van zijn toenmalige coördinator dat hij zijn productiviteit kon verhogen door meer te focussen. Naar het oordeel van de Raad is appellant tijdig aangesproken op zijn onvoldoende functioneren en is hem voldoende ondersteuning geboden om zijn functioneren te verbeteren. Wat dat laatste betreft verwijst de Raad naar het coachingstraject bij FunktieMediair dat erop gericht was om appellant naar tevredenheid op mediorniveau te laten functioneren. Zoals in 3.3 reeds vermeld, was appellant op de hoogte van de reden van het coachingstraject en van het gegeven dat de ingeslagen weg geen vrijblijvende aangelegenheid zou zijn. Voorts is in het voortgangsgesprek van 10 juni 2005 met appellant voldoende duidelijk besproken dat hij zich terdege moest verbeteren wilde hij de contractafspraken voor 2005 halen.

5. Uit het voorgaande volgt dat de hoger beroepen niet kunnen slagen. De aangevallen uitspraken moeten dus bevestigd worden.

6. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K.J. Kraan en B.W.N. de Waard als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 april 2009.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) M. Lammerse.

HD