Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI2993

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2009
Datum publicatie
06-05-2009
Zaaknummer
07-6592 WWB + 07-6593 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat het College, gelet het mede-huurderschap van appellanten van de onderhavige woning en gelet op hun uitdrukkelijke mededeling op het inlichtingenformulier dat zij een gezamenlijke huishouding voeren, mocht aannemen dat appellanten niet langer ieder afzonderlijk in aanmerking kwamen voor bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6592 WWB

07/6593 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante 1] (hierna: appellante 1), en [Appellante 2] (hierna: appellante 2), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 oktober 2007, 06/3702 en 06/3705 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 28 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.F. Achekar, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2009. Appellanten zijn niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Lo Fo Sang, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten woonden destijds in hun ouderlijk huis en ontvingen ieder afzonderlijk een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Zij hebben op 16 januari 2006 als mede-huurders een huurovereenkomst gesloten voor de zelfstandige woonruimte aan de [adres] in [woonplaats]. Appellanten zijn op 17 januari 2006 naar deze woning verhuisd.

1.2. Bij brief van 20 januari 2006 heeft een medewerker van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) appellanten bericht dat hun nieuwe woonsituatie voor de toepassing van de WWB als een gezamenlijke huishouding wordt beschouwd. Bij deze brief is tevens aan appellanten gevraagd nadere gegevens te verstrekken. Daarbij is gewezen op de mogelijkheid aan te tonen dat sprake is van twee afzonderlijke huishoudens. Appellanten hebben vervolgens ieder afzonderlijk een zogenoemd Inlichtingenformulier nieuw adres aan de DWI gezonden. Daarop heeft appellante 1 vermeld dat appellante 2 bij haar woont en dat zij met haar een gezamenlijke huishouding voert. Appellante 2 heeft op het formulier aangegeven dat appellante 1 bij haar woont en dat zij met haar een gezamenlijke huishouding voert.

1.3. Bij besluit van 1 februari 2006 heeft het College de bijstandsuitkeringen van appellanten gewijzigd in die zin dat aan hen met ingang van 17 januari 2006 bijstand wordt verleend naar de norm voor gehuwden.

1.4. Bij besluit van 8 juni 2006 heeft het College het tegen het besluit van 1 februari 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de tegen het besluit van 8 juni 2006 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij betwisten dat vanaf 17 januari 2006 sprake was van het voeren van een gezamenlijke huishouding.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat het College, gelet het mede-huurderschap van appellanten van de onderhavige woning en gelet op hun uitdrukkelijke mededeling op het inlichtingenformulier dat zij een gezamenlijke huishouding voeren, mocht aannemen dat appellanten niet langer ieder afzonderlijk in aanmerking kwamen voor bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

4.2. Evenals de rechtbank stelt de Raad voorts vast dat appellanten geen feiten en omstandigheden hebben vermeld op grond waarvan moet worden geoordeeld dat zij, in tegenstelling tot de verstrekte inlichtingen op dit punt, ieder hun eigen huishouden voerden.

4.3. In hun hoger beroepschrift hebben appellanten nog naar voren gebracht dat bij het invullen van het inlichtingenformulier het verschil tussen het voeren van een gezamenlijke huishouding en het gezamenlijk wonen niet goed is begrepen. Deze beroepsgrond treft geen doel. In dit verband heeft het College er op gewezen dat op het Inlichtingenformulier nieuw adres het begrip gezamenlijke huishouding als volgt is toegelicht: “Dat wil zeggen: u woont met iemand op hetzelfde adres én u levert beiden een bijdrage in de kosten van de huishouding of u zorgt op een andere manier voor elkaar”. Gelet op deze toelichting hadden appellanten moeten onderkennen dat het voeren van een gezamenlijke huishouding een andere situatie betreft dan het (uitsluitend) gezamenlijk wonen.

4.4. De hoger beroepen slagen dus niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 april 2009.

(get.) C. van Viegen.

(get.) B.E. Giesen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

IJ