Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI2932

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2009
Datum publicatie
06-05-2009
Zaaknummer
07-4656 AW + 07-4703 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nadere stukken niet ontvangen voor tiendagentermijn. Belanghebbende. Omvang geding. Indidenteel appel. Functiewaardering verkeersleider RET. Overschrijding redelijke termijn. Immateriële schadevergoeding aan eenieder van appellanten van € 4.000,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2009/138
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4656 AW

07/4703 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellant 1], (hierna: appellant 1) en [appellant 2], (hierna: appellant 2),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 juni 2007, 06/886 en 06/888 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 23 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2009. Appellant 1 is verschenen, bijgestaan door mr.drs. M.C. van Meppelen Scheppink, advocaat te Rotterdam. Appellant 2 is verschenen, bijgestaan door mr. A.J. Vis, regiojurist bij Abvakabo FNV te Rotterdam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.I. Siem, werkzaam bij de gemeente Rotterdam. Op verzoek van het college is als getuige gehoord F. van der Neut, destijds belast met functiewaardering bij de gemeente Rotterdam.

De gedingen zijn gevoegd behandeld.

II. OVERWEGINGEN

1. Alvorens in te gaan op de gedingen ten gronde overweegt de Raad als volgt.

1.1. Namens het college zijn op 2 februari 2009 nadere stukken ingezonden, die op 4 februari 2009 door de Raad zijn ontvangen. Nu die stukken niet voor de aanvang van de in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemde termijn van tien dagen zijn ontvangen, heeft de Raad die stukken, tegen kennisneming waarvan appellanten bezwaar hebben gemaakt en met de inzending waarvan in strijd is gehandeld met de regels van een goede procesorde - met uitzondering van een daartoe behorend “verweerschrift” dat door hem zal worden aangemerkt als pleitnota - buiten beschouwing gelaten.

1.2. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat appellanten in hun hoger beroep niet ontvangen moeten worden, omdat zij sinds 1 januari 2007 niet meer in dienst van de gemeente Rotterdam zijn. De Raad volgt het college daarin niet aangezien appellanten ten tijde van het primaire besluit van mei 2003 belanghebbenden waren en ook na de privatisering van de RET in 2007 nog onverminderd belang hebben bij een uitspraak in de gedingen.

1.3. Met betrekking tot de omvang van de gedingen in hoger beroep stelt de Raad voorts vast dat het college bij wijze van incidenteel appel mede aan de orde heeft gesteld het niet eens te zijn met het onderdeel in de aangevallen uitspraak waarin de rechtbank zelf heeft voorzien in de toekenning van een puntenwaardering van de gezichtspunten 2.3, 3.3 en 6.2. Nu het college zelf tegen de aangevallen uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld, nu het hoger beroep van appellanten niet tegen deze onderdelen van de aangevallen uitspraak is gericht en er geen sprake is van verwevenheid met door appellanten aangevoerde grieven, zal de Raad aan de desbetreffende grieven van het college voorbij- gaan.

2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Appellanten waren aangesteld bij de gemeente Rotterdam en bij de RET werkzaam als verkeersleider bij de afdeling Centrale Verkeersleiding (CVL). De beschrijving van de functie van verkeersleider is op 12 december 2000 vastgesteld. Bij besluiten van 21 maart 2001 is appellanten meegedeeld dat de functionele indeling van de functie van verkeersleider is vastgesteld overeenkomstig salarisklasse 8. Bij besluiten van 26 september 2003 zijn de bezwaren van appellanten gedeeltelijk gegrond verklaard maar daarbij is de indeling in salarisklasse 8 gehandhaafd. Bij uitspraak van 11 november 2004 heeft de rechtbank Rotterdam die besluiten vernietigd. Bij besluiten van 17 januari 2006 heeft het college gewijzigde beslissingen op bezwaar genomen.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen gegrond verklaard en de besluiten van 17 januari 2006 vernietigd. Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb heeft de rechtbank zelf in de zaken voorzien en - voor zover hier van belang - op de gezichtspunten 2.3 en 3.3 telkens band 2 toegekend, met achtereenvolgens 10 en 20 punten, en op gezichtspunt 6.2 band 4 toegekend met 20 punten. Hierdoor is het puntentotaal van de functiewaardering vastgesteld op 865, wat - onveranderd - leidt tot indeling in salarisklasse 8.

2.3. Appellanten hebben tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Appellant 1 heeft zich op het standpunt gesteld dat de waardering van de gezichtspunten 1.1 (diepgang van het werk), 1.3 (werksituatie), 2.1 (de wijze van taakstelling), 2.2 (de aard van de voorkomende problemen), 3.1 (de moeilijkheidsgraad van de werkzaamheden), 5.1 (de aard van het contact) en 7.2 (aanvullende scholing en opleiding) onhoudbaar is en dat de waardering op deze punten tezamen met 135 punten verhoogd moet worden zodat het puntentotaal op 1000 komt. Appellant 2 heeft zijn hoger beroep beperkt tot de gezichtspunten 3.1 en 7.2. Beide appellanten hebben zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, LJN BH1009, voorts op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ruim is overschreden, waardoor zij beiden in aanmerking komen voor een schadevergoeding van € 4.000,-.

3. De Raad overweegt het volgende.

3.1. Voorop wordt gesteld dat de rechterlijke toetsing in functiewaarderingszaken een terughoudende is, in die zin dat de rechter zich naast de overigens in aanmerking komende toetsing van het bestreden besluit aan regels van geschreven en ongeschreven recht en algemene rechtsbeginselen, moet beperken tot de vraag of de in geding zijnde waardering op onvoldoende gronden berust. Dit laatste betekent dat eerst tot vernietiging van de omstreden waardering kan worden overgegaan indien deze als onhoudbaar moet worden aangemerkt. Daarvoor is ontoereikend de enkele omstandigheid dat een andere waardering op zichzelf verdedigbaar is.

3.2. Volgens de Rotterdamse methode van functiewaardering is sprake van het waarderen van organieke functies. In dat kader is niet van belang op welke wijze de functie door de ambtenaar is ingevuld noch wat de ambtenaar zelf voor de functie van belang acht. De waardering is gebaseerd op de gezichtspunten ‘1 Structuur’, ‘2 Beslissingsruimte’, ‘3 Verantwoordelijkheid’, ‘4 Inbreng’, ‘5 Contacten’, ‘6 Leiding’ en ‘7 Vaardigheden’ die op hun beurt weer zijn onderverdeeld. Per gezichtspunt of onderdeel van het gezichtspunt worden verschillende banden gehanteerd. Ter controle van het verkregen puntenresultaat vindt toetsing plaats aan voorbeeldfuncties.

3.3. Blijkens de functiebeschrijving heeft de verkeersleider tot taak het realiseren van een optimale communicatie en coördinatie tussen de ondersteunende technische afdelingen en het exploitatiepersoneel ter bewaking van een optimaal verloop van de exploitatie van de tram, bus en metro, het uitvoeren van calamiteitenprotocollen op bedrijfs- en regionaal niveau en het leveren van een bijdrage aan het beleid van de afdeling CVL. De verkeersleider maakt deel uit van het managementteam van de afdeling CVL en valt hiërarchisch onder de manager van die afdeling. De verkeersleider geeft dagelijks leiding aan een - qua samenstelling - wisselend team van medewerkers en heeft de personele zorg over ongeveer acht medewerkers (dienstleiders, centralisten en reizigersinformanten).

3.4. Naar het oordeel van de Raad berust de score van band 4 voor het gezichtspunt 1.1 (diepgang van het werk) niet op onvoldoende gronden. Noch in de functiebeschrijving noch in hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, vindt de Raad steun voor het standpunt van appellanten dat de verkeersleider, bij het zich voordoen van problemen, zich eerst moet afvragen of het probleem niet ‘dieper’ zit en of hij wel het werkelijke probleem te pakken heeft alvorens hij tot het oplossen van het probleem kan overgaan.

3.5. Met betrekking tot het gezichtspunt 1.3 (werksituatie) is de Raad van oordeel dat de toekenning van band 2 niet onhoudbaar is. De Raad onderkent dat de functie van verkeersleider een typische regelaarfunctie is, die dagelijks communicatie over velerlei zaken meebrengt. Het daadwerkelijk afbreken van werkzaamheden en tussentijds overschakelen op andere activiteiten komt daarbij echter, zoals namens het college is betoogd, slechts in beperkte mate voor. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om daar anders over te denken. Daar komt nog bij dat de Raad niet is gebleken dat bij het omschakelen op andere activiteiten sprake is van een vaak onoverzichtelijke werksituatie zoals vereist voor indeling in band 3.

3.6. Wat betreft gezichtspunt 2.1 (de wijze van taakstelling) onderschrijft de Raad niet de stelling van appellant 1 dat bij de taakstelling van de verkeersleider de opdracht niet concreet kan worden aangegeven. Naar het oordeel van de Raad wordt in de kernactiviteiten behorende bij eindresultaat 4 van de functiebeschrijving stapsgewijs aangegeven hoe aan de hand van protocollen gehandeld dient te worden bij bedrijfscalamiteiten en regionale calamiteiten. Van situaties waarbij het ‘wat’ en ‘hoe’ in betekenende mate afhankelijk wordt van de eigen beslissing van de verkeersleider, is de Raad niet gebleken.

3.7. Eenzelfde oordeel treft de stelling van appellant 1 dat de waardering van gezichtspunt 2.2 (de aard van de voorkomende problemen) met een score van band 2 onhoudbaar is. De Raad is niet gebleken dat de beslissingen van de verkeersleider worden beïnvloed door factoren die vanuit andere werkterreinen worden ingebracht dan wel betrekking hebben op het besturen van een afdeling zoals vereist voor indeling in band 3.

3.8. De score op gezichtspunt 3.1 (de moeilijkheidsgraad van de werkzaamheden) houdt rechtstreeks verband met - voor zover hier van belang - de som van de scores op de gezichtspunten 1.1 en 1.3. Aangezien de grieven van appellanten tegen laatstgenoemde gezichtspunten vergeefs naar voren zijn gebracht, kan de score op gezichtspunt 3.1 evenmin voor onhoudbaar worden gehouden.

3.9. Ten aanzien van gezichtspunt 5.1 (de aard van het contact) is de Raad van oordeel dat niet staande gehouden kan worden dat de verkeersleider bindende afspraken kan maken voor de afdeling, de dienst of de gemeente. Blijkens eindresultaat 5 van de functiebeschrijving wordt een functioneel netwerk aangelegd teneinde adequate informatie te kunnen verstrekken en op de hoogte te zijn en te blijven van actuele ontwikkelingen in het werk- en denkgebied. Blijkens eindresultaat 6 wordt het karakter van de samenwerking of contacten geduid als ‘overleg / informatief / adviserend’.

3.10. Ook wat gezichtspunt 7.2 (aanvullende scholing en opleiding) betreft, is de Raad van oordeel dat de waardering niet op onvoldoende gronden berust. Appellanten hebben gesteld dat de vereiste aanvullende scholing en opleiding langer dan twee jaren vergen. Blijkens de toelichting bij gezichtspunt 7 is de tijdsduur die in de banden wordt genoemd, gebaseerd op een voltijdse dagopleiding. Wanneer de aanvullende opleiding een avondopleiding is, moet worden bezien hoe lang de opleiding zou duren wanneer het een dagopleiding zou zijn.

Desgevraagd is ter zitting verklaard dat appellanten de volgende aanvullende scholing hebben gevolgd: middle management, aanvullende elektrotechnische opleiding (hoogspanning), voertuigtechniek en continue bijscholing. Ook is aangegeven dat men voor een aantal zaken naar school is geweest en daarin tevens toetsen heeft afgelegd. Met deze niet nader met tijdsindicaties gespecialiseerde opsomming is voor de Raad niet aannemelijk gemaakt dat appellanten omgerekend meer dan twee jaar aanvullende voltijdse dagopleiding hebben gevolgd.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van geen van beide appellanten slaagt en dat de waardering van de functie van verkeersleider - voor zover hier in geding - in rechte stand kan houden.

5. Met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM overweegt de Raad als volgt.

5.1. Vanaf de indiening van het bezwaarschrift tegen het primaire besluit van 3 mei 2001 tot aan de datum van deze uitspraak zijn ongeveer 8 jaren verstreken. Dit moet als een overschrijding van de redelijke termijn worden aangemerkt. Daarbij is in aanmerking genomen dat noch in de zaken zelf, die niet als complex zijn aan te merken, noch in de opstelling van appellanten een rechtvaardiging voor de lange duur van de procedure kan worden gevonden. De Raad ziet in dit geval geen aanleiding de redelijke termijn voor de procedure als geheel te stellen op een andere termijn dan vier jaar.

5.2. De grieven van appellanten over de lange duur van de procedure richten zich met name tegen het aandeel van het bestuur in de overschrijding. De Raad stelt vast dat van de totale termijn 3 jaar en ruim 8 maanden is toe te rekenen aan het bestuursorgaan, te weten van 3 mei 2001 tot 26 september 2003 en van 15 november 2004 tot 17 januari 2006. Daarmee heeft het bestuursorgaan een onaanvaardbaar lange termijn genomen om zijn besluitvorming over de bezwaren van appellanten af te ronden. Op deze wijze zijn appellanten ervan afgehouden om het in artikel 6 van het EVRM neergelegde recht op berechting binnen een redelijke termijn te effectueren.

5.3. Onder verwijzing naar hetgeen de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 8 december 2004, LJN AR7273 en JB 2005/30 en van 25 oktober 2007, LJN BB7454 en TAR 2008, 55, stelt de Raad vast dat het hiervoor overwogene tot de slotsom leidt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd onder gegrondverklaring van de inleidende beroepen en onder vernietiging van de bestreden besluiten wegens strijd met artikel 6 van het EVRM. De Raad acht aannemelijk dat appellanten als gevolg van de lange duur van de procedure daadwerkelijk spanning en frustratie hebben ondergaan. De Raad acht om die reden termen aanwezig om het college met toepassing van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de door appellanten geleden immateriële schade. De Raad stelt de door het college aan eenieder van appellanten te vergoeden schade vast op € 4.000,-.

6. Aangezien de Raad onder 4 tot de conclusie is gekomen dat de in het geding zijnde functiewaardering niet onhoudbaar kan worden geacht, bestaat er aanleiding om de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten.

7. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding het college op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellanten in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan ieder van de appellanten voor kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten van 17 januari 2006;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van die besluiten geheel in stand blijven;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellant 1 in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- te betalen door de gemeente Rotterdam;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellant 2 in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- te betalen door de gemeente Rotterdam;

Veroordeelt de gemeente Rotterdam tot vergoeding van schade aan appellant 1 ten bedrage van € 4.000,- en aan appellant 2 ten bedrage van € 4.000,-;

Bepaalt dat de gemeente Rotterdam aan appellant 1 het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 214,- vergoedt;

Bepaalt dat de gemeente Rotterdam aan appellant 2 het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 214,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 april 2009.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) K. Moaddine.

HD