Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI2928

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
06-05-2009
Zaaknummer
07-7146 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2007:BE9585, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing herziening ontslagbesluit. Geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden. Beroep op vertrouwensbeginsel faalt. De Raad is van oordeel dat van ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen geen sprake is, en evenmin van misleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/7146 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 november 2007, 06/6090 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: minister)

Datum uitspraak: 29 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G.N.M. Groen, advocaat te Amsterdam. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.G. J. van den Heuvel, werkzaam bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 22 februari 2001 is aan appellant - destijds 56 jaar oud - op zijn verzoek per 1 maart 2001 eervol ontslag verleend wegens gebruikmaking van de geldende regeling voor flexibele pensionering en uittreding (FPU).

1.2. Bij brief van 21 april 2006 heeft appellant de minister verzocht om herziening van dat ontslagbesluit en hem alsnog ontslag te verlenen met ingang van 1 maart 2005, zodat hij in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de regeling Functioneel Leeftijdsontslag (FLO). Subsidiair heeft appellant verzocht om vergoeding van schade wegens - kort gezegd - gemiste uitkering vanaf 1 maart 2001 en gemiste pensioenopbouw, eveneens vanaf die datum. Op dit verzoek is bij besluit van 23 mei 2006 afwijzend beslist en die afwijzing is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 november 2006 (bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak is het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Niet meer bestreden wordt dat de minister het herzieningsverzoek terecht heeft aangemerkt als een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit dat moet worden beoordeeld in het kader van artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Evenals de rechtbank en de minister ziet de Raad in hetgeen door appellant naar voren is gebracht geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden als bedoeld in dat artikel. Dat appellant pas na zijn ontslag is gebleken dat hij kennelijk onjuiste verwachtingen had over de hoogte van de hem toekomende uitkering kan niet als nieuw feit gelden. Appellant was daarvan immers reeds kort na zijn ontslag op de hoogte, toen hem bij brief van 14 maart 2001 door het ABP de hoogte van zijn FPU per maand werd meegedeeld en hij dit ook op de hem in maart toegezonden specificatie kon zien. Appellant heeft daarin destijds geen aanleiding gevonden zijn ontslag aan te vechten, maar heeft jarenlang in de situatie berust.

3.2. Appellant heeft zich voorts beroepen op het vertrouwensbeginsel. Hij is tot zijn ontslagverzoek gekomen op basis van informatie van het ABP en vanwege de minister, waarbij hij er nimmer op is gewezen dat hij door ontslag te nemen op 56-jarige leeftijd niet meer in aanmerking zou kunnen komen voor een FLO-uitkering. Ook in dit opzicht acht de Raad geen sprake van nieuw gebleken feiten of omstandigheden. Overigens is de Raad met de rechtbank van oordeel dat van ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen geen sprake is, en evenmin van misleiding.

3.3. Reeds hierom kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat de minister niet in redelijkheid tot afwijzing van het verzoek om herziening van het ontslagbesluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

3.4. Hiervan uitgaande is het verzoek om een uitkering op grond van de FLO-regeling per 1 maart 2005 terecht afgewezen, aangezien de FLO-regeling alleen kan worden toegepast vanuit bestaand dienstverband. Nu de minister niet behoefde terug te komen op het ontslagbesluit bestaat voorts geen grond voor schadevergoeding.

4. De aangevallen uitspraak wordt dus bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 april 2009.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD