Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI2788

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-04-2009
Datum publicatie
06-05-2009
Zaaknummer
07-4543 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functiebeschrijving en functiewaardering. Diverse functies. Procesbelang. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen de waardering van de functies projectorganisator/medewerker Belastingen en medewerker Burgerzaken ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft de rechtbank eveneens ten onrechte geoordeeld dat appellant geen belang meer heeft bij het beoordelen van zijn grieven tegen de scores voor de aspecten leidinggeven en keuzemogelijkheden bij de deelfunctie inkoper. Zelf afgedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4543 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 4 juli 2007, 06/2238 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Putten (hierna: college)

Datum uitspraak: 9 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Reitsma, advocaat te Harderwijk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. van Vooren en G. van Meulen, beiden werkzaam bij de gemeente Putten.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was als [functie] werkzaam bij de afdeling [afdeling] van de gemeente Putten. Hij werd bezoldigd in schaal VII. Van januari 1986 tot 1 januari 1988 is appellant met behoud van salaris naar schaal VII, werkzaam geweest als [functie 2]; van 1988 tot zijn uitdiensttreding in 1998 is appellant werkzaam geweest in een combinatiefunctie, te weten als medewerker [combinatiefunctie].

1.2. In november 1999 heeft appellant verzocht hem te bezoldigen naar de uitloopschaal VIII. Naar aanleiding van dat verzoek is besloten de door appellant sinds 1986 vervulde functies alsnog te beschrijven en te waarderen.

Bij besluit van 10 januari 2001 heeft het college de functiebeschrijvingen vastgesteld en de functie medewerker Belastingen gewaardeerd in hoofdgroep III met 7 punten, de functie medewerker Burgerzaken in hoofdgroep II met 8 punten en de functie inkoper in hoofdgroep III met 8 punten.

1.3. Naar aanleiding van het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is in juli 2001 besloten om eerst de procedure met betrekking tot de functiebeschrijvingen af te ronden en zodra de functiebeschrijvingen onherroepelijk zijn vastgesteld, bij afzonderlijk besluit de waardering van de functies te bepalen. Appellant heeft daarmee ingestemd. Dit heeft geleid tot het besluit van 22 februari 2002, waarbij de bezwaren tegen de functiebeschrijvingen ongegrond zijn verklaard.

1.4. Bij uitspraak van 10 februari 2005, nummer 03/2511 AW, LJN AS6577, heeft de Raad het besluit van 22 februari 2002, voor zover daarbij de functiebeschrijving van mede-werker Belastingen was gehandhaafd, vernietigd en bepaald dat het college in zoverre een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen. De naar aanleiding daarvan bij besluit van 2 november 2005 vastgestelde functiebeschrijvingen zijn vervolgens rechtens onaantastbaar geworden.

1.5. Bij besluit van 7 april 2006 heeft het college de waardering van de functie Project-organisator/medewerker Belastingen vastgesteld op hoofdgroep II met 7 punten, de waardering van de functie medewerker Burgerzaken op hoofdgroep II met 6 punten en de waardering van de functie inkoper op hoofdgroep II met 11 punten. Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft het college bij het bestreden besluit van 25 september 2006 niet-ontvankelijk verklaard, voor zover betrekking hebbend op de functiebeschrijvingen en ongegrond wat betreft de functiewaarderingen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep voor zover gericht tegen de waardering van de functies medewerker Belastingen en medewerker Burgerzaken niet-ontvankelijk verklaard en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd het volgende.

3.1. Naar vaste jurisprudentie is het belang van degene die een functie vervult recht-streeks betrokken bij een besluit waarbij zijn functie is beschreven en/of waarbij zijn functie is gewaardeerd. Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraken van 19 oktober 2000, LJN AA8815 en TAR 2000, 157, en van 26 januari 2006, LJN AV1057 en TAR 2006, 107, is de uitkomst van de functiewaardering immers niet alleen van belang voor de bepaling van de salarisschaal, maar ook overigens voor de ambtelijke positie. Naar de Raad in diezelfde uitspraak eveneens heeft overwogen valt dit belang niet weg als de aangevoerde grieven niet tot toekenning van de beoogde hogere salarisschaal leiden. Het vorenstaande brengt mee dat de rechtbank het beroep van appellant tegen de waardering van de functies projectorganisator/medewerker Belastingen en medewerker Burgerzaken ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Voorts heeft de rechtbank eveneens ten onrechte geoordeeld dat appellant geen belang meer heeft bij het beoordelen van zijn grieven tegen de scores voor de aspecten leiding-geven en keuzemogelijkheden bij de deelfunctie inkoper. De aangevallen uitspraak komt derhalve in haar geheel voor vernietiging in aanmerking.

3.2. De Raad ziet geen aanleiding de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank maar zal met toepassing van artikel 24 van de Beroepswet doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen. In dat kader overweegt de Raad het volgende.

3.3. De Raad verwerpt het standpunt van appellant dat sprake is van een verboden reformatio in peius omdat de waarderingen in het bestreden besluit lager zijn vastgesteld dan in het onder 1.2 genoemde besluit van 10 januari 2001. Daartoe merkt de Raad eerst op dat de waarderingen van 2001 betrekking hadden op - deels - andere functiebeschrij-vingen. Voorts is appellant in juli 2001 ermee akkoord gegaan dat pas tot waardering van de functies zou worden overgegaan als de functiebeschrijvingen rechtens onaantastbaar waren. Pas in november 2005 was daarvan sprake en kon volgens de gemaakte afspraken waardering plaatsvinden. Ook bij het ontbreken van een expliciet intrekkingsbesluit moet onder die omstandigheden het waarderingsbesluit van 10 januari 2001 geacht worden te zijn ingetrokken. Dit betekent dat het college terecht ervan is uitgegaan dat het besluit van 21 april 2006 een primair besluit is. Wel onderschrijft de Raad het subsidiaire standpunt van appellant voor zover dat inhoudt dat het college gehouden is voor het verschil in waardering met name wat de hoofdgroepindeling betreft een plausibele verklaring te geven.

3.4.1. Met betrekking tot de functie projectorganisator/medewerker Belastingen acht de Raad de indeling van de functie in hoofdgroep II niet onhoudbaar. De Raad wijst er op dat in de functiebeschrijving als benodigd opleidingsniveau mavo/havo is vermeld. Voorts heeft het college ter zitting van de Raad voldoende overtuigend naar voren gebracht dat de vermelding van de functie in het functieboek met niveau VII, uitloopniveau VIII, destijds op sociale overwegingen is geschied. Ten slotte heeft het college toegelicht dat appellant tussen 1986 en 1988 is ingezet om specifieke achterstanden bij de afdeling Belastingen weg te werken. Omdat hij een andere achtergrond had is hij bij die werkzaamheden heel strak aangestuurd en moest hij binnen strikte kaders werken.

3.4.2. Met betrekking tot het gezichtspunt contact worden volgens het Gemeentelijk Functiewaarderingssysteem 2 punten toegekend indien contact een essentieel onderdeel is van de functie en het gaat om verkrijgen van begrip. Een score van 3 punten wordt toegekend als er sprake is van een duidelijke belangentegenstelling, waarbij de beslissing vastligt en er vaak een machtsmiddel aanwezig is. Het college heeft aangevoerd dat appellant geen formele bevoegdheden had en slechts inventariserend te werk moest gaan. Zodra hij op tegenwerking stuitte moest hij terug naar de dienst. Onder die omstandig-heden acht de Raad de score van 2 punten voor contact niet onhoudbaar.

3.4.3. Ook de score van 3 punten voor handelingsvrijheid acht de Raad niet onhoudbaar. Volgens de functiebeschrijving vindt globale controle plaats van het eindproduct, hetgeen past bij de omschrijving van een score van 3 punten.

3.4.4. Datzelfde geldt voor de score van 0 punten voor het gezichtspunt leidinggeven. Van hiërarchisch ondergeschikten was geen sprake. Indien al juist zou zijn dat burgers zich in bepaalde gevallen zouden moeten voegen naar aanwijzingen van appellant - hetgeen overigens niet te rijmen valt met het ontbreken van formele bevoegdheden - dan is dit niet gelijk te stellen met leidinggeven als omschreven in het Gemeentelijk Functie-waarderingssysteem.

3.4.5. Ook de score van 1 punt voor keuzemogelijkheden ten slotte houdt stand, nu appellant bij zijn taakuitvoering binnen strikte kaders moest werken.

3.5. Met betrekking tot de combinatiefunctie die appellant tussen 1988 en 1998 heeft vervuld onderschrijft de Raad het nadere standpunt van het college dat voor deze combinatiefunctie moet worden uitgegaan van de hoogste waardering van de deelfuncties, dus van hoofdgroep II met 11 punten, zoals die is vastgesteld voor de deelfunctie inkoper.

3.5.1. De Raad acht de indeling in hoofdgroep II niet onhoudbaar. Wat betreft het argument van het functieboek verwijst de Raad naar hetgeen onder 3.4.1 is overwogen. Volgens de functiebeschrijving is een opleidingsniveau benodigd van Havo. De extra benodigde aanvullende cursussen inkoper en key-operator worden gewaardeerd met de (hoogste) score voor functionele vorming en betekenen niet dat voor de combinatiefunctie een hbo werk- en denkniveau is vereist.

3.5.2. Wat betreft de score van 0 punten voor leidinggeven geldt dat appellant ook als inkoper geen hiërarchisch ondergeschikten had terwijl appellant evenmin heeft onderbouwd dat hij volledig chef was of dat sprake was van werkleiderschap als bedoeld in het Gemeentelijk Functiewaarderingssysteem. Ook die score is derhalve niet onhoudbaar.

3.5.3. Wat betreft de score van 2 punten voor het aspect keuzemogelijkheden vermeldt het functiewaarderingssysteem dat een score van 2 punten worden toegekend als het werk of een onderdeel daarvan op meerdere, maar wel bekende manieren kan worden uitgevoerd en dat afhankelijk van de omstandigheden een keuze dient te worden gemaakt. Een score van 3 punten wordt toegekend als het werk mede omvat het aandragen van nieuwe - als regel eenmalige - oplossingen voor problemen in de uitvoeringssfeer. Dat laatstbedoelde situatie zich zou voordoen blijkt niet uit (het formulier deeltaken van) de functiebeschrijving waar sprake is van voorgeschreven werkmethodes en van overleg. Ook die score houdt dus stand.

4. Het vorenstaande leidt ertoe dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak slaagt maar dat de Raad, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep ongegrond zal verklaren.

5. De Raad ziet aanleiding het college met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep ten bedrage van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Rechtdoende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 25 september 2006 ongegrond;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellant in hoger beroep ten bedrage van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand, te betalen door de gemeente Putten;

Bepaalt dat de gemeente Putten aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 214,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en K. Zeilemaker als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 april 2009.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) I. Mos.

HD