Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI2786

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2009
Datum publicatie
06-05-2009
Zaaknummer
08-6598 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Het besluit berust op een niet deugdelijke medische grondslag. De Raad volgt het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige. Overtuigend deskundigenrapport. In de FML is onvoldoende rekening gehouden met de door de deskundige genoemde -als matig te duiden- psychische beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6598 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 13 oktober 2008, 06/141 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 17 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Ter zitting van 6 maart 2009 heeft de Raad het geschil ter behandeling aan de orde gesteld; geen van beide partijen is verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 26 mei 2005 is de aan betrokkene toegekende uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, per 26 juli 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%.

1.2. Het door betrokkene tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 30 november 2005 ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 30 november 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gelast het griffierecht aan betrokkene te vergoeden.

2.2. De rechtbank heeft aldus beslist nadat ze tot het oordeel was gekomen dat het besluit van 30 november 2005 niet op een toereikende medische grondslag berust. De rechtbank heeft daartoe doorslaggevende betekenis toegekend aan de bevindingen van de door haar als deskundige ingeschakelde psychiater M.J. van Weers, zoals neergelegd in zijn rapporten van 31 mei 2007 en 15 november 2007.

2.3. Omdat het besluit van 30 november 2005 reeds op grond van een ontoereikende medische grondslag niet in stand kan blijven, is de rechtbank niet toegekomen aan een beoordeling van de arbeidskundige grondslag.

3. Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het besluit van 30 november 2005 bestreden. Appellant stelt zich op het standpunt dat de deskundige in het rapport van 15 november 2007, naar aanleiding van het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts G.C.N. Debie op het rapport van de deskundige van 31 mei 2007, zijn eerder beschreven bevindingen en conclusies op het gebied van diagnostiek, aard en ernst van de beperkingen dusdanig heeft afgezwakt, dat de rechtbank tot de conclusie had moeten komen dat de in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) weergegeven beperkingen van betrokkene toereikend zijn.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De door de rechtbank als deskundige geraadpleegde psychiater Van Weers heeft geconcludeerd dat betrokkene ten tijde in geding leed aan alcoholafhankelijkheid, een stemmingsstoornis en een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit van het gecombineerde type. Daarnaast heeft betrokkene een persoonlijkheidsstructuur die wordt gekenmerkt door borderlinetrekken, theratrale trekken en enige wantrouwende trekken. De deskundige heeft zich niet kunnen verenigen met de beperkingen zoals neergelegd in de FML. Volgens de deskundige dienen er aanvullend beperkingen te worden opgenomen in de rubriek persoonlijk functioneren ten aanzien van de aspecten concentratie, aandacht, geheugen, inzicht in eigen kunnen en doelmatig handelen. De ernst van de beperkingen op deze aspecten is door de deskundige als matig gekwalificeerd.

4.2. In zijn vaste rechtspraak ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat tot afwijking van deze hoofdregel. De Raad is van oordeel dat in dit geval geen aanleiding bestaat om van deze hoofdregel af te wijken. Daartoe heeft de Raad in aanmerking genomen dat de deskundige zijn conclusies heeft gebaseerd op eigen onderzoek, op de in het dossier aanwezige medische gegevens en op desgevraagd verkregen informatie van de behandelende sector. De Raad is van oordeel dat de deskundige overtuigend heeft gerapporteerd over de gezondheidstoestand van appellant ten tijde in geding en daarvan uitgaande inzichtelijk heeft aangegeven in hoeverre in de FML onvoldoende rekening wordt gehouden met de beperkingen van betrokkene. Het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts Debie biedt onvoldoende aanknopingspunten om de bevindingen en conclusies van de deskundige terzijde te stellen. De Raad overweegt in dit verband dat de deskundige naar aanleiding van de reactie van bezwaarverzekeringsarts Debie van 10 september 2007 op zijn rapport van 31 mei 2007, zijn eigen oordeel serieus heeft heroverwogen en naar behoren heeft gemotiveerd in hoeverre de conclusies uit het rapport van 31 mei 2007 worden gehandhaafd. Anders dan door appellant bepleit, is de Raad van oordeel dat de deskundige in zijn rapport van 15 november 2007 noch zijn diagnostische bevindingen noch de aard van de door hem noodzakelijk geachte aanvullende beperkingen, zoals omschreven in zijn rapport van 31 mei 2007, heeft afgezwakt. Slechts de zwaarte van die beperkingen is door de deskundige bij nader inzien bijgesteld van aanvankelijk matig tot ernstig naar uiteindelijk matig. Het voorgaande leidt tot de vaststelling dat in de FML onvoldoende rekening is gehouden met de door de deskundige genoemde -als matig te duiden- psychische beperkingen, zoals hiervoor omschreven onder 4.1.

5. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank naar het oordeel van de Raad terecht overwogen dat het besluit van 30 november 2005 niet op een deugdelijke medische grondslag berust. De Raad komt derhalve tot de conclusie dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 433,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 april 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) J.M. Tason Avila.

TM