Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI2773

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2009
Datum publicatie
06-05-2009
Zaaknummer
07-6606 WWB + 07-6607 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het College heeft op goede gronden aangenomen dat van zeer dringende redenen(...) geen sprake was, zodat het College niet bevoegd was tot verlening van bijzondere bijstand voor de schulden van appellanten over te gaan. Ook in zoverre is het verzoek om bijzondere bijstand terecht afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 131
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6606 WWB

07/6607 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant) en [Appellante] (hierna: appellante), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond van 23 oktober 2007, 07/377 en 07/1409 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: College)

Datum uitspraak: 14 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. Y. van der Linden, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld. Nadien heeft mr. H.M.J. Offermans, advocaat te Roermond, zich als gemachtigde voor appellanten gesteld en nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met dat in de zaken met de nummers 08/4332 WWB en 08/4333 WWB, plaatsgevonden op 3 maart 2009. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Offermans. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C.W.M.G. Volleberg, werkzaam bij de gemeente Venlo. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In het onderhavige geding wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen vanaf 15 december 2004 vanwege de gemeente Venlo een bijstandsuitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Over de daaraan voorafgegane periode heeft appellant een uitkering ingevolgde Wet inkomensvoorziening kunstenaars (WIK) ontvangen.

1.2. Bij brief van 30 mei 2006 heeft appellante aan een medewerker van de gemeente Venlo onder meer een overzicht gegeven van achterstanden in betalingen en openstaande rekeningen. Op 31 mei 2006 hebben appellanten een door deze medewerker opgestelde aanvraag om leenbijstand voor gezien en akkoord ondertekend. Op deze aanvraag zijn de meest dringende schulden van appellanten vermeld. Bij besluit van 2 juni 2006 heeft het College voor zeer urgente schulden bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening toegekend, tot een bedrag van € 1.375,45. Aan de lening is de verplichting verbonden dat appellanten het College machtigen tot inhouding van enkele vaste lasten op hun uitkering en tot doorbetaling van die lasten aan derden. Over het geschil dat tussen partijen over dat besluit is ontstaan heeft de Raad op 11 december 2007, LJN BC0887, uitspraak gedaan. Kortheidshalve verwijst de Raad naar die uitspraak.

1.3. Bij brief van 20 juni 2006 heeft het College appellanten medegedeeld dat de bijstand niet zal worden uitbetaald, aangezien de in 1.2 bedoelde machtiging niet is verstrekt. Het College heeft appellanten in de gelegenheid gesteld om voor 1 juli 2006 duidelijkheid te verschaffen over hun totale schuldenlast. Appellanten hebben vervolgens gegevens over hun schuldenlast overgelegd.

1.4. Bij besluit van 7 juli 2006 heeft het College geweigerd aan appellanten bijzondere bijstand voor de naar voren gebrachte schulden te verlenen, op de grond dat de desbetreffende kosten ingevolge artikel 13, eerste lid, van de WWB niet als noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen worden aangemerkt.

1.5. Bij besluit van 6 februari 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 7 juli 2006 ongegrond verklaard. Daarbij is de grondslag van de afwijzing van de bijstand in zoverre gewijzigd - voor zover in dit geding van belang - dat het College ten aanzien van drie schulden heeft geoordeeld dat het bestaan ervan niet is aangetoond.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank onder meer het tegen het besluit van 6 februari 2007 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover het betreft de ongegrondverklaring van het beroep. Het College heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De beroepsgrond van appellanten dat zij in de bezwaarfase ten onrechte geen inzage hebben gekregen in het ambtelijke pre-advies dat over hun bezwaren was opgesteld, treft geen doel. Kortheidshalve verwijst de Raad op dit punt naar zijn uitspraak van 25 februari 2008, LJN BC6720.

4.2. Appellanten hebben aangevoerd dat de voorzieningenrechter van de rechtbank ten onrechte geen beletsel heeft gezien om het document van 31 mei 2006 als aanvraag te zien in plaats van de brief van appellante van 30 mei 2006, waarin een groter aantal betalingsachterstanden en openstaande rekeningen is vermeld. De Raad overweegt daarover in de eerste plaats dat hij de onder 1.2 geschetste wijze van besluitvorming, waarbij onderscheid is gemaakt ten aanzien van de aard van de schulden en in eerste instantie (op 2 juni 2006) uitsluitend een beslissing is genomen over de zeer urgente schulden, blijkens zijn uitspraak van 11 december 2007 niet onjuist heeft geacht. Verder stelt de Raad vast dat het College vervolgens alle in de brief van appellante van 30 mei 2006 genoemde posten bij zijn besluitvorming heeft betrokken, waaronder ook een bedrag aan gemeentelijke belastingen 2006, waaraan in het slot van de brief van 30 mei 2006 wordt gerefereerd. Ook deze beroepsgrond slaagt derhalve niet.

4.3. Appellanten hebben voorts aangevoerd dat het College, met name gelet op het gegeven dat het College ten aanzien van de schulden een aanzienlijk aantal bewijsstukken wilde ontvangen - waarvan een groot aantal na de datum van de door het College gehouden hoorzitting is overgelegd - een tweede hoorzitting had moeten beleggen. Voor zover appellanten hiermee willen betogen dat sprake is van schending van artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht, volgt de Raad appellanten daarin niet. Het gaat hier om door appellanten zelf aangeleverde gegevens. Het College heeft appellanten voldoende de gelegenheid geboden schriftelijk bewijs te leveren van de door hen opgevoerde schulden en deze schulden toe te lichten. In dit verband heeft het College er niet ten onrechte op gewezen dat appellanten zijn uitgenodigd voor een hoorzitting, bij welke gelegenheid zij zo nodig al een nadere toelichting hadden kunnen verstrekken, maar dat zij er om hun moverende redenen voor hebben gekozen om op deze hoorzitting niet te verschijnen.

4.4. Met betrekking tot het standpunt van het College dat het bestaan van een drietal schulden niet is aangetoond overweegt de Raad het volgende.

4.4.1. De Raad stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak in het kader van de verlening van bijstand, met schulden slechts rekening kan worden gehouden indien het bestaan ervan aannemelijk is gemaakt en vaststaat dat daaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden.

4.4.2. Appellanten stellen een (oude) schuld te hebben bij Essent ter hoogte van € 2.500,--. Bij de gedingstukken bevindt zich evenwel geen document waaruit het bestaan van deze schuld blijkt. Aan de enkele mededeling van appellante ter zitting van de Raad dat Essent in 2008 alsnog melding heeft gemaakt van het bestaan van deze schuld en dat intussen voor die schuld een betalingsregeling is getroffen, kan niet de betekenis worden gehecht die appellanten er aan toegekend willen zien.

4.4.3. Met betrekking tot de opgevoerde schuld van appellanten bij mevrouw [naam zuster] (zus van appellante) heeft appellante bij brief van 7 december 2006 aan het College bericht dat haar zus op meerdere momenten bedragen heeft verstrekt tot een totaalbedrag van € 35.450,--, en dat de desbetreffende schuldverklaringen niet kunnen worden overgelegd, omdat deze zich bij haar zus bevinden. Deze schuldverklaringen zijn evenwel ook niet naderhand overgelegd. Evenmin bevinden zich in het dossier documenten waaruit de daadwerkelijke overdracht van gelden van de zus van appellante aan haar en/of aan appellant blijkt. Er is uitsluitend een schuldbekentenis van 7 december 2006, ondertekend door appellanten, voorhanden. Dit document, dat door appellante zelf is opgesteld, acht de Raad zonder meer onvoldoende om als bewijs te dienen voor het bestaan van deze schuld. Overigens merkt de Raad op dat, indien er sprake zou zijn van door de zus van appellante verstrekte gelden, uit de schuldbekentenis niet blijkt dat daaraan door deze zus een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden.

4.4.4. Ter onderbouwing van een volgens appellanten nog openstaande schuld bij vakantiepark Euveren over de periode van 2 april 2003 tot 1 augustus 2003, is een door de gemeente Gulpen-Wittem opgestelde berekening van de woonlastentoeslag per maand overgelegd, met als bijlagen overzichten van de rekenhuur over de periode van 2 april 2003 tot 1 juli 2003 en over de maand juli 2003, waaruit een totale huurlast over deze perioden volgt ten bedrage van € 4.559,86. Er is echter geen stuk voorhanden waaruit blijkt dat voor dit bedrag tijdens de periode in geding een schuld van appellanten bij de verhuurder openstond. Anders dan appellanten stellen heeft het op hun weg gelegen om deze schuld aan te tonen. Het was niet aan het College om bij park Euveren na te gaan of daar nog een bedrag aan door appellanten te betalen huur openstond. Ook met betrekking tot deze door appellanten opgevoerde schuld, heeft het College zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat het bestaan van deze schuld niet is aangetoond.

4.4.5. De Raad komt tot de conclusie dat het College op goede gronden heeft geweigerd voor de drie hiervoor besproken posten bijzondere bijstand te verlenen.

4.5. De weigering van de bijzondere bijstand berust voor het overige op het bepaalde in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB, waarin is bepaald dat geen recht op bijstand heeft degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast dan wel nadien, beschikte over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Evenals de voorzieningenrechter van de rechtbank is de Raad van oordeel dat deze bepaling zich tegen verlening van bijzondere bijstand verzet. Voor dat oordeel is de vaststelling dat appellanten vanaf 15 december 2004 (en ook nog ten tijde in geding) beschikten over een bijstandsuitkering ingevolge de WWB naar de voor hun gezinssituatie toepasselijke norm voldoende.

4.6. Op grond van artikel 49 van de WWB - voor zover in dit geding van toepassing - is het College bevoegd in afwijking van de in 4.5 genoemde bepaling bijzondere bijstand te verlenen indien daartoe zeer dringende redenen bestaan.

4.6.1. Appellanten stellen zich op het standpunt - onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting (MvT) op deze bepaling - dat de schuldenlast mede is ontstaan als gevolg van het feit dat tot 15 december 2004 sprake is geweest van een WIK-uitkering ter hoogte van 70% van de bijstandsnorm. Dat is evenwel op zichzelf nog niet voldoende voor toepassing van deze bepaling, evenmin als het bestaan van een grote schuldenlast als zodanig. Er moet, gelet op het uitzonderingskarakter van deze bepaling en mede gelet op de bewoordingen ervan, tevens sprake zijn van een situatie waarin de behoeftige omstandigheden van de betrokkenen op geen andere wijze zijn te verhelpen en bijstandsverlening dus onvermijdelijk is. Van dergelijke omstandigheden is de Raad niet gebleken. Daarbij betrekt de Raad dat het College appellanten bijstand heeft toegekend voor de schulden die hen in hun bestaansvoorziening bedreigden (de zogenoemde zeer urgente schulden), maar dat appellanten de aan de toekenning van die bijstand verbonden voorwaarden niet hebben geaccepteerd. Het College heeft voorts onweersproken naar voren gebracht dat appellanten niet wensten mee te werken aan schuldhulpverlening. In aanvulling op het voorgaande neemt de Raad ten slotte nog in aanmerking dat, zoals het College ter zitting van de Raad eveneens onweersproken heeft gesteld - onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 11 december 2007, LJN BC0892 - appellanten niet de daartoe geboden gelegenheid hebben benut om de verlening van bijstand vanwege het gemeentebestuur van Venlo reeds te laten ingaan per 1 augustus 2003, onder gelijktijdige beëindiging van de WIK-uitkering per die datum.

4.6.2. Appellanten hebben ten slotte gewezen op hun psychische problematiek, waarbij zij zich hebben beroepen op verklaringen van de hen behandelende psychiater. In deze verklaringen komt onder meer naar voren dat sprake is van een ongunstige prognose indien er geen rust komt in de situatie van appellanten, die meer problemen behelst dan de schuldenproblematiek. Ten aanzien van de schuldenlast als zodanig houden de verklaringen in essentie in dat een oplossing van de schuldenproblematiek het klachtenpatroon van appellanten vermoedelijk gunstig zal beïnvloeden. De Raad acht dit niet voldoende zwaarwegend om een zeer dringende reden aan te nemen in de zin als hiervoor onder 4.6.1 beschreven.

4.6.3. Alles bijeen genomen, is de Raad, evenals de voorzieningenrechter, van oordeel dat het College op goede gronden heeft aangenomen dat van zeer dringende redenen in de zin van artikel 49, tweede lid, van de WWB ten tijde hier van belang geen sprake was, zodat het College niet bevoegd was tot verlening van bijzondere bijstand voor de schulden van appellanten over te gaan. Ook in zoverre is het verzoek om bijzondere bijstand terecht afgewezen.

4.7. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak - voor zover deze is aangevochten - dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter, en C. van Viegen en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 april 2009.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) B.E. Giesen.

NW