Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI2728

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-04-2009
Datum publicatie
06-05-2009
Zaaknummer
08-5676 WWB + 08-5677 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregelen. Verlaging bijstand. Het ernstig tekortschieten in het naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 135
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5676 WWB

08/5677 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 20 augustus 2008, 07/1679 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en van 20 augustus 2008, 07/3604 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 21 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.M. van Angeren, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de gedingen tussen partijen met reg.nrs. 07/3429 WWB, 07/3430 WWB, 07/3432 WWB, 07/3434 WWB, 07/3435 WWB, 07/3436 WWB, 07/3437 WWB, 07/3438 WWB, 07/3610 WWB, 07/3611 WWB, 07/3612 WWB, 07/3613 WWB, 07/3614 WWB, 07/3615 WWB, 07/3616 WWB, 07/4503 WWB, 07/5231 WWB en 07/5232 WWB, plaatsgevonden op 10 maart 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Angeren. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diderich, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In de zaken 08/5676 WWB en 08/5677 WWB wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren [in] 1947, is in 1971 afgestudeerd aan de faculteit sociale wetenschappen van de Universiteit van Amsterdam. Sinds 1989 is appellant uitsluitend werkzaam geweest als reisleider voor culturele reizen en verricht hij als zodanig jaarlijks gedurende enkele perioden van elk drie à vier weken werkzaamheden in het buitenland. In de tussenliggende perioden heeft appellant bijstand ontvangen ingevolge de Algemene Bijstandswet (ABW), de Algemene bijstandswet (Abw) en laatstelijk de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 24 januari 2006 is aan appellant met ingang van 24 oktober 2005 opnieuw bijstand ingevolge de WWB toegekend. Bij dat besluit is appellant geïnformeerd over de verplichtingen die uit de WWB voortvloeien, waaronder de verplichting om al het mogelijke te doen om betaald werk te vinden. De behandelend klantmanager heeft tijdens een gesprek met appellant op 29 november 2006 geconstateerd dat appellant uitsluitend solliciteert naar functies op academisch en hoger niveau en appellant erop gewezen dat hij breed moet solliciteren in die zin dat hij ook naar functies op middelbaar of lager niveau dient te solliciteren. Tijdens een gesprek op 20 december 2006 is appellant kenbaar gemaakt dat hij bij een vervolggesprek op 22 januari 2007 onder meer dient aan te tonen dat hij zich heeft laten inschrijven bij minimaal vijf uitzendbureaus en dat hij minimaal vijf sollicitaties heeft verricht naar functies op middelbaar en lager niveau. Tijdens het vervolggesprek op 22 januari 2007 is gebleken dat appellant zich niet heeft laten inschrijven bij uitzendbureaus en evenmin gesolliciteerd heeft naar functies op middelbaar en lager niveau.

1.2. Bij besluit van 12 februari 2007 heeft het College de bijstand van appellant eenmalig verlaagd met € 200,-- op de grond dat hij niet naar vermogen heeft getracht betaald werk te verkrijgen. Bij besluit van 29 maart 2007 heeft het College de tegen het besluit van 12 februari 2007 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

1.3. De klantmanager heeft op 6 juni 2007 gerapporteerd dat appellant nog steeds weigert om te solliciteren naar functies op middelbaar en lager niveau en zich te laten inschrijven bij uitzendbureaus en dat appellant de kans is geboden daaraan alsnog te voldoen. Tijdens het vervolggesprek op 10 juli 2007 is vastgesteld dat appellant alleen heeft gesolliciteerd op functies op hoger en academisch niveau en dat hij zich niet bij uitzendbureaus heeft laten inschrijven.

1.4. Bij besluit van 11 juli 2007 heeft het College de bijstand van appellant opnieuw eenmalig verlaagd met € 200,-- op de grond dat hij niet naar vermogen heeft getracht betaald werk te verkrijgen. Bij besluit van 28 augustus 2007 heeft het College de tegen het besluit van 11 juli 2007 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 29 maart 2007 ongegrond verklaard. Het beroep van appellant tegen het besluit van 28 augustus 2007 is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak 2 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a , van de WWB - voor zover hier van belang - is de belanghebbende van 18 jaar en ouder doch jonger dan 65 jaar verplicht naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen en deze te aanvaarden. Blijkens de wetsgeschiedenis van deze bepaling wordt, door geen beperkende voorwaarden te stellen aan aard en omvang van het werk en aan aansluiting op opleiding en ervaring, bereikt dat een eventueel beroep op inkomensondersteuning zo kort mogelijk is. Uiteraard dient er wel gekeken te worden naar de aansluiting bij de individuele mogelijkheden van de persoon in verband met gezondheid en belastbaarheid (Tweede Kamer, 2002-2003, 28 870, nr. 3, blz. 5 en 6).

4.2. Ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB verlaagt het college overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, de bijstand indien de belanghebbende tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.3. Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Amsterdam (hierna: Afstemmingsverordening) bepaalt dat de bijstand eenmalig met € 200,-- wordt verlaagd wanneer de belanghebbende naar het oordeel van het College ernstig tekortgeschoten is in het naar vermogen verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.

4.4. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Afstemmingsverordening houdt het College bij zijn oordeel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, rekening met de omstandigheden en mogelijkheden van de belanghebbende.

4.5. Artikel 5, eerste lid, van de Afstemmingsverordening bepaalt dat het College de verlaging lager kan vaststellen als de belanghebbende door de afstemming met het bedrag genoemd in artikel 2, eerste lid, onredelijk zwaar wordt getroffen.

4.6. De Raad stelt vast dat appellant ten tijde hier in geding niet was ontheven van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB. Op grond van de gedingstukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen staat vast dat appellant zich ten tijde hier van belang niet breed op de arbeidsmarkt heeft georiënteerd en het merendeel van zijn sollicitatieactiviteiten heeft gericht op functies van minimaal HBO-niveau. Voorts staat vast dat appellant categorisch heeft geweigerd zich bij uitzendbureaus te laten inschrijven. Appellant stelt zich op het standpunt dat uitbreiding van zijn werkzaamheden als reisleider voor hem de enige reële mogelijkheid was om een zodanig inkomen te verwerven dat hij niet langer beroep hoefde te doen op bijstand en dat het College aan hem volstrekt onredelijke eisen heeft gesteld wat betreft de inschakeling in de arbeid. De Raad kan dit standpunt niet onderschrijven en acht het geenszins aannemelijk dat appellant behoudens uitbreiding van zijn eigen werkzaamheden geen kansen op de arbeidsmarkt heeft. De omstandigheid dat appellant steun vindt in het door Consolid uitgebrachte advies kan daaraan niet afdoen, te minder nu appellant na het uitbrengen van dit advies ruimschoots in de gelegenheid is geweest de daarin voorgestelde weg - urenuitbreiding als reisleider - te beproeven en dit kennelijk niet tot het gewenste doel heeft geleid. De Raad merkt overigens op dat uit dit advies kan worden afgeleid dat de veelvuldige sollicitaties van appellant naar managementfuncties niet succesvol waren, omdat hij de juiste en recente werkervaring mist. Hoewel de Raad onderkent dat de leeftijd van appellant de inschakeling in de arbeid bemoeilijkt is niet aannemelijk, mede gelet op zijn recent en langdurig arbeidsverleden als reisleider, dat hij geen enkele kans heeft om - al dan niet tijdelijk via een uitzendbureau - werk te verkrijgen. Voorts onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat touroperators en recruitmentbureaus niet gelijk te stellen zijn met uitzendbureaus.

4.7. De Raad is met het College van oordeel dat de handelwijze van appellant eind 2006/begin 2007 en medio 2007 gedragingen opleveren die kunnen worden gekwalificeerd als het ernstig tekortschieten in het naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, die ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Afstemmingsverordening in beginsel een verlaging van eenmalig € 200,-- opleveren. Niet kan worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ter zake aan de kant van appellant ontbreekt. De Raad merkt daarbij op dat van appellant, gelet op de omstandigheid dat hij vanaf 1986, onderbroken door perioden van werk als reisleider, beroep heeft moeten doen op bijstand, mocht worden verlangd dat hij zich ruimer opstelt ten aanzien van de inschakeling in het arbeidsproces. Voorts is appellant door zijn klantmanager bij herhaling erop gewezen dat hij zich breed op de arbeidsmarkt dient op te stellen en dat de weigering om daaraan gevolg te geven consequenties zal hebben voor zijn uitkering.

4.8. Hieruit vloeit voort dat het College op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand te verlagen.

4.9. De hoogte en de duur van de verlaging is in overeenstemming met artikel 2, eerste lid, van de Afstemmingsverordening bepaald op € 200,--. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de omstandigheden en mogelijkheden van appellant het College aanleiding hadden moeten geven om met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB in verbinding met de artikelen 4, eerste lid, en 5, eerste lid, van de Afstemmingsverordening de verlaging lager vast te stellen.

4.10. Uit hetgeen hiervoor is overwogen in vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking komen.

4.11. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en R. Kooper en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 april 2009.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) J. Waasdorp.

IJ