Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI2712

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2009
Datum publicatie
06-05-2009
Zaaknummer
08-1737 WWB + 08-1738 WWB + 09-998 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning leenbijstand voor de aanschaf van een computer. Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten verband houdende met een internetaansluiting en abonnementskosten met betrekking tot het gebruik van internet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1737 WWB

08/1738 WWB

09/998 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 4 februari 2008, 07/969 en 07/2405 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Etten-Leur (hierna: College)

Datum uitspraak: 14 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. Breewel-Witteveen, advocaat te Roosendaal, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2009. Voor appellant is verschenen mr. Breewel-Witteveen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.H.M. Verdaas, werkzaam bij de gemeente Etten-Leur.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 11 september 2006 bijzondere bijstand aangevraagd voor de aanschaf van een computer. Deze aanvraag is bij besluit van 19 september 2006 afgewezen.

1.2. Bij besluit van 30 januari 2007, nader aangevuld bij besluit van 15 mei 2007, heeft het College, voor zover van belang, de bezwaren van appellant tegen het besluit van 19 september 2006 gegrond verklaard. Het College heeft appellant alsnog op grond van zijn Computerregeling Wet werk en bijstand (WWB) bijzondere bijstand toegekend voor de aanschaf van een computer. De bijstand is toegekend in de vorm van leenbijstand tot een bedrag van maximaal € 1.000,-- en de aflossingsverplichting is vastgesteld gedurende 36 maanden op € 28,-- per maand.

1.3. Appellant heeft bij afzonderlijke aanvragen van 8 december 2006 bijzondere bijstand aangevraagd voor kosten verband houdende met een internetaansluiting en abonnementskosten met betrekking tot het gebruik van internet. Deze aanvragen zijn bij afzonderlijke besluiten van 9 januari 2007 afgewezen.

1.4. Bij besluit van 24 april 2007 zijn de bezwaren tegen de besluiten van 9 januari 2007 niet-ontvankelijk verklaard. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellant (nog) niet de beschikking heeft over een computer, zodat hij geen belang heeft bij de beoordeling van zijn bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag betreffende kosten die verband houden met het gebruik daarvan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 januari 2007, nader aangevuld bij besluit van 15 mei 2007, ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 24 april 2007, met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten, gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het College een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank is van oordeel dat appellant procesbelang heeft bij de beoordeling van de door hem gevraagde kosten in verband met het gebruik van internet, nu hem bijstand is toegekend voor de aanschaf van een computer.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het College op 13 januari 2009 een nieuw besluit op bezwaar genomen en de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 9 januari 2007 ongegrond verklaard. De Raad zal dit besluit op de voet van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede bij de beoordeling betrekken.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Kosten aanschaf computer

5.1.1. Appellant stelt zich primair op het standpunt dat de bijzondere bijstand voor de aanschaf van een computer niet in de vorm van een geldlening, maar om niet moet plaatsvinden en subsidiair dat de vastgestelde aflossingsverplichting van de geldlening op een lager bedrag vastgesteld dient te worden. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat hij door hoge algemene en bijzondere kosten, zoals nader in het beroepschrift en ter zitting gespecificeerd, niet de beschikking heeft over aflossingscapaciteit.

5.1.2. Aan appellant is bijzondere bijstand toegekend met toepassing van het ten tijde in geding van kracht zijnde beleid, zoals door het College is neergelegd in de Computerregeling WWB. Op grond van deze regeling wordt voor de aanschaf van een computer voor maximaal € 1.000,-- bijstand toegekend in de vorm van een geldlening.

De aflossingsperiode is in de regeling vastgesteld op 36 maanden en het af te lossen bedrag op € 28,-- per maand. Indien er geen ruimte is voor aflossing als gevolg van andere aflossingsverplichtingen, kan de bijstand ten behoeve van een computer om niet worden verstrekt.

5.1.3. Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad gaat ervan uit dat appellant ten tijde in geding geen andere aflossingsverplichtingen had, zodat appellant niet voldeed aan de in de Computerregeling opgenomen voorwaarde voor toekenning van de bijstand om niet. Dit betekent dat de verleende bijstand in de vorm van een geldlening alsook het vastgestelde aflossingsbedrag van € 28,-- per maand in overeenstemming is met het door het College gevoerde beleid.

5.1.4. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van het beleid had moeten afwijken. De Raad merkt hierbij op dat de bijstandsnorm toereikend geacht wordt te zijn om in de door appellant genoemde (algemene) kosten van levensonderhoud te voorzien. Voor zover appellant van mening is dat de bijstandsnorm niet toereikend is om daaruit tevens de overige genoemde (bijzondere) kosten te voldoen, ligt het op de weg van appellant om voor deze kosten een beroep op een voorliggende voorziening te doen dan wel bijzondere bijstand voor deze kosten aan te vragen.

5.2. Kosten (extra) internetaansluiting en kosten internetabonnement

5.2.1. Appellant heeft eerder op 21 februari 2006 en op 24 april 2006 aanvragen ingediend met betrekking tot de onder 1.4 vermelde kosten. De aanvraag van 21 februari 2006 is afgewezen op de grond dat geen sprake is van noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB, nu de betreffende kosten zich ten tijde van het primaire besluit (nog) niet voordeden. De aanvraag van 24 april 2006 is afgewezen op de grond dat ten opzichte van de aanvraag van 21 februari 2006 geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

5.2.2. Ook de thans in geding zijnde aanvraag van 11 september 2006 ziet op de hiervoor genoemde kosten.

5.2.3. Het College heeft aan het besluit van 13 januari 2009 ten grondslag gelegd dat de gevraagde kosten in geding niet zijn aan te merken als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB.

5.2.4. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Awb staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

5.2.5. De Raad stelt allereerst vast dat appellant nog steeds niet tot aanschaf van een computer is overgaan. Voorts is de Raad van oordeel dat het feit dat appellant inmiddels bijzondere bijstand is toegekend voor de aanschaf van een computer weliswaar een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb oplevert, doch dat dit feit niet tot toekenning van de gevraagde bijstand kan leiden, nu appellant immers nog steeds niet de beschikking over een computer heeft en de kosten zich dus nog steeds niet (kunnen) voordoen. Dit betekent dat de aanvraag van 11 september 2006 terecht door het College is afgewezen.

6. Slotoverwegingen

6.1. Gelet op het voorgaande komt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking en dient het beroep tegen het besluit van 13 januari 2009 ongegrond te worden verklaard.

6.2. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 13 januari 2009 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en O.L.H.W.I. Korte als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 april 2009.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) J. Waasdorp.

RB