Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI2604

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2009
Datum publicatie
29-04-2009
Zaaknummer
07-4046 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstandsuitkering voor de duur van één maand met 20% wegens gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren. Geen sprake van het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid op grond waarvan het opleggen van een maatregel dient te worden afgezien

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4046 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 mei 2007, 06/4775 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 14 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.A. van Schaik, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nr. 07/4042, plaatsgevonden op 10 maart 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Schaik. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.R. van der Heijden-Wijnen, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Aan appellant zijn de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9 van de WWB opgelegd. In het kader van een trajectplan bij Randstad Rentree is aan appellant de verplichting opgelegd dat hij de afspraken die in het trajectplan met het

re-integratiebedrijf zijn gemaakt dient na te komen. Op 1 juni 2005 heeft appellant zich op het kantoor van Randstad Rentree op een zodanige wijze uitgelaten over zijn onvrede met het te volgen traject en de aan hem geboden begeleiding, dat dit voor Randstad Rentree aanleiding was om het re-integratietraject met appellant te beëindigen. Naar aanleiding hiervan is bij besluit van 22 juli 2005 de bijstand van appellant op grond van artikel 8, derde lid, onder a, van de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Rotterdam (hierna: de verordening) met ingang van 1 augustus 2005 voor de duur van één maand verlaagd met 20%, omdat appellant nalatig is geweest door gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren.

1.3. Bij besluit van 7 december 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 22 juli 2005 ongegrond verklaard.

2. Bij uitspraak van 7 september 2006, 05/6298, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 december 2005 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft geoordeeld dat door de wijze waarop appellant zich op 1 juni 2005 op het kantoor van Randstad Rentree heeft gedragen er sprake is van een in beginsel maatregelwaardige gedraging als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder 3, van de verordening. Het bestreden besluit dient naar het oordeel van de rechtbank niettemin te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) nu dit besluit niet ingaat op de verwijtbaarheid van het gedrag van appellant noch op de omstandigheden waarin appellant ten tijde van het opleggen van de maatregel verkeerde.

3. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 7 september 2006 heeft het College bij besluit van 24 oktober 2006 de bezwaren van appellant wederom ongegrond verklaard en de verlaging van de bijstand met 20% voor de duur van één maand gehandhaafd.

4. Namens appellant is tegen het besluit van 24 oktober 2006 beroep ingesteld.

5. Bij besluit van 14 februari 2007 heeft het College het besluit van 24 oktober 2006 ingetrokken, de bezwaren van appellant wederom ongegrond verklaard en de verlaging van de bijstand met 20% voor de duur van één maand gehandhaafd.

6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 oktober 2006 met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede gericht geacht tegen het besluit van 14 februari 2007. De rechtbank heeft vervolgens het beroep tegen het besluit van 24 oktober 2006 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 14 februari 2007 ongegrond verklaard.

7. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen laatstgenoemd onderdeel van deze uitspraak gekeerd.

8. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

8.1. De Raad stelt allereerst vast dat, nu partijen geen rechtsmiddelen hebben aangewend tegen de uitspraak van de rechtbank van 7 september 2006, door de wijze waarop appellant zich op 1 juni 2005 op het kantoor van Randstad Rentree heeft gedragen, er sprake is van een in beginsel maatregelwaardige gedraging als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder 3, van de verordening.

8.2. De Raad beperkt zich dan ook, evenals de rechtbank bij de aangevallen uitspraak heeft gedaan, tot de vraag of er sprake is van het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid waardoor van het opleggen van een maatregel moet worden afgezien, of er sprake is van een dringende reden en of de opgelegde maatregel in overeenstemming is met de mate waarin de gedraging appellant kan worden verweten en zijn persoonlijke omstandigheden.

8.3. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad, evenals de rechtbank, geen reden om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Appellant heeft op 11 april 2005 een trajectplan bij Randstad Rentree ondertekend, waardoor hij zich akkoord heeft verklaard met de inhoud en de opzet van het voorgestelde trajectplan en op hem ook de verplichting rust om hieraan volledig mee te werken. Dat het re-integratietraject niet aan de verwachtingen van appellant voldeed en hij veelvuldig heeft gesolliciteerd doen niet af aan het feit dat het traject ten gevolge van de houding en het gedrag van appellant voortijdig is beëindigd. Gelet hierop is er geen sprake van het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid op grond waarvan, met toepassing van artikel 3, eerste lid, van de verordening, van het opleggen van een maatregel dient te worden afgezien. Daarnaast is ook het feit dat appellant zich inmiddels met het oog op zijn agressieregulatie onder behandeling heeft gesteld van een klinisch psycholoog geen reden om van het opleggen van een maatregel af te zien, nu de Raad uit de brief van 13 februari 2007 van die klinisch psycholoog niet is gebleken dat het gedrag van appellant op 1 juni 2005 hem niet te verwijten valt. In hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd ziet de Raad evenmin dringende redenen als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de verordening om van een maatregel af te zien. Tot slot is de Raad van oordeel dat de opgelegde maatregel in overeenstemming is met de ernst van de gedraging, de mate waarin de gedraging appellant kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.

8.4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden bevestigd. Voor een veroordeling tot schadevergoeding is geen plaats. Het verzoek daartoe van appellant dient te worden afgewezen.

9. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en R. Kooper en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 april 2009.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) J. Waasdorp.

IJ