Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI2547

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2009
Datum publicatie
06-05-2009
Zaaknummer
07-6771 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overplaatsing. Betrokkene wil deze niet meer terugdraaien, maar houdt procesbelang ivm gestelde schadevergoeding. Vertrouwensbreuk. Met de rechtbank is de Raad van oordeel, dat de korpsbeheerder in de opstelling van appellant een bijzonder geval mocht zien als bedoeld in artikel 64 van het Barp, waarin het belang van de dienst tewerkstelling van appellant op een andere plaats vorderde, zodat de korpsbeheerder bevoegd was om appellant over te plaatsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6771 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Duitsland, (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 14 november 2007, 06/2066 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio [naam Regio] (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 2 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek te zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. M.L.M. van de Laar, advocaat te Maastricht. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door F.J.H. Gunther en

mr. A.P.C.W. Tummers, beiden werkzaam bij de politieregio [naam Regio] (hierna: politieregio).

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is als hoofdagent in de functie van medewerker basispolitiezorg werkzaam bij de politieregio. Tot 17 april 2006 was hij tewerkgesteld bij het district [district], basiseenheid [basiseenheid].

1.2. Bij besluit van 15 april 2006 heeft de korpsbeheerder besloten met toepassing van artikel 64 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) de plaats van tewerk-stelling van appellant met ingang van 17 april 2006 te wijzigen in district [district], basiseenheid [basiseenheid 2]; zijn functie, medewerker basispolitiezorg, is niet gewijzigd. De korpsbeheerder heeft aan dat besluit ten grondslag gelegd dat sprake is van een ernstige vertrouwensbreuk tussen appellant en zijn leidinggevenden bij de basiseenheid [basiseenheid].

1.3. Het besluit van 15 april 2006 is, na bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 21 augustus 2006.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat het bestreden besluit een deugdelijke en draagkrachtige motivering ontbeert. Aan de meermalen gedane uitlatingen van appellant, dat hij geen vertrouwen had in de leiding van de basiseenheid, is teveel gewicht toe-gekend. Er was geen onwerkbare situatie ontstaan. De gekozen maatregel van overplaatsing was buitenproportioneel. Er stonden bovendien nog andere mogelijkheden, zoals mediation, open. Voorts zou de korpsbeheerder onvoldoende rekening hebben gehouden met appellants ernstige spanningsklachten, en had hem eerst de kans op ziekteherstel moeten worden geboden. Zo de korpsbeheerder al bevoegd was tot overplaatsing, dan stond het hem in de gegeven omstandigheden nog niet vrij van die bevoegdheid gebruik te maken, aldus appellant.

Ter zitting heeft appellant hieraan nog toegevoegd, dat hij thans niet meer terug wil naar de basiseenheid [basiseenheid]. Daarom heeft hij de Raad verzocht, indien de Raad tot vernietiging van het bestreden besluit zou concluderen, de rechtsgevolgen daarvan in stand te laten. Appellant heeft gesteld dat hij belang houdt bij een uitspraak van de Raad, nu hij na een vernietiging mogelijk nog schadevergoeding zal vragen; hij heeft daarbij (onder meer) gewezen op de schade aan zijn reputatie.

3.2. De korpsbeheerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd en bestreden dat appellant nog procesbelang heeft in hoger beroep.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Wat betreft het procesbelang van appellant overweegt de Raad dat volgens zijn vaste rechtspraak (CRvB 9 december 2004, LJN AR7791) in een geval als dit het enkele feit dat door de appellant wordt gesteld - en niet op voorhand volstrekt onaannemelijk is - dat tengevolge van het door hem bestreden besluit schade is geleden die hem dient te worden vergoed, voldoende grond vormt om nog een belang van appellant bij een inhoudelijke beoordeling door de rechter van het geschil en een daaruit mogelijk volgende vernietiging van het bestreden besluit aanwezig te achten. De omstandigheden van dit geval bieden geen grond om schade als door appellant gesteld bij voorbaat volstrekt onaannemelijk te achten. Dit betekent dat appellant in zijn hoger beroep kan worden ontvangen.

5.1. De Raad staat vervolgens voor de vraag of het hoger beroep gegrond is.

5.2. Ingevolge artikel 64 van het Barp, voorzover hier van belang, is de politieambtenaar, indien het belang van de dienst dit in bijzondere gevallen vordert, verplicht zijn functie op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied uit te oefenen, mits dit redelijk is in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten.

5.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel, dat de korpsbeheerder in de opstelling van appellant een bijzonder geval mocht zien als bedoeld in artikel 64 van het Barp, waarin het belang van de dienst tewerkstelling van appellant op een andere plaats vorderde, zodat de korpsbeheerder bevoegd was om appellant over te plaatsen. Daarbij heeft de rechtbank terecht betekenis toegekend aan het gegeven, dat appellant onder meer blijkens gespreksverslagen meermalen had laten weten geen vertrouwen te hebben in de leiding van de basiseenheid en er weinig vertrouwen in te hebben dat de meningsverschillen met zijn leidinggevenden konden worden opgelost. Nog op de hoorzitting van 27 juni 2006 naar aanleiding van zijn bezwaar heeft appellant in een schriftelijke verklaring gesproken van een vertrouwensbreuk tussen hem en de leiding van de basiseenheid.

5.4. De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling, dat er geen onwerkbare situatie was, en dat de maatregel van overplaatsing daarom buitenproportioneel was. De ernst van de situatie blijkt volgens de Raad reeds uit het feit, dat appellant vanaf 17 oktober 2005 met werkgerelateerde spanningsklachten ziekgemeld was en dat hij vervolgens pas op

9 mei 2006, nadat uit een door een verzekeringsarts op 26 april 2006 uitgebracht deskundigenoordeel was gebleken dat er geen redenen meer aanwezig waren om het werk niet te hervatten, volledig is gestart met zijn werkzaamheden in de basiseenheid [basiseenheid].

5.5. Evenmin volgt de Raad appellant in zijn stelling, dat het aandeel van de leidinggevenden in de vertrouwensbreuk zodanig was, dat de korpsbeheerder om die reden geen gebruik mocht maken van zijn bevoegdheid tot overplaatsing. Veeleer rijst uit de gedingstukken het beeld op dat appellant door de leiding werd gewaardeerd om zijn inzet en vakmanschap, maar dat appellant, die gewend was aan een grote mate van vrijheid in zijn werk, waarbij hij zelf kon bepalen hoeveel tijd hij aan zaken besteedde, moeite had met de toegenomen sturing en de kritiek op zijn behandeling van enkele dossiers vanuit de nieuwe leiding en ten minste in één geval de aanwijzingen van de leiding naast zich neerlegde. Het is appellant geweest, die als eerste heeft aangekondigd dat hij geen vertrouwen meer had in de leiding. Vervolgens is appellant ondanks herhaalde gesprekken die bedoeld waren om de lucht te klaren, blijven volharden in zijn afwijzende opstelling. De Raad acht aannemelijk dat deze opstelling van appellant ertoe heeft bijgedragen dat, terwijl aanvankelijk een tijdelijke verplaatsing werd overwogen, de voltallige leiding van de basiseenheid op 17 januari 2006 te kennen gaf definitieve verplaatsing van appellant te wensen, waarop de korpsbeheerder heeft besloten geen termijn aan de verplaatsing te verbinden. Uit deze gang van zaken kan de Raad geenszins afleiden dat de leiding, zoals door appellant is gesteld, bewust heeft aangestuurd op een vertrouwensbreuk. Wel kan de korpsbeheerder worden verweten, dat hij zich onvoldoende welwillend heeft opgesteld tegenover de door appellant voorgestelde vertrouwenspersonen, door wie appellant zich bij de gesprekken met de leiding had willen laten ondersteunen. De Raad is echter van oordeel dat dit aan de noodzaak en de bevoegdheid tot overplaatsing niet afdoet.

5.6. Voorts kon, naar het oordeel van de Raad, de korpsbeheerder redelijkerwijs van oordeel zijn, dat mediation, waartoe de bedrijfsarts op 16 februari 2006 heeft geadviseerd, niet (meer) tot een oplossing van de ontstane problemen zou kunnen leiden; in het achterwege laten daarvan ziet de Raad, anders dan appellant, geen schending van het beginsel dat besluiten zorgvuldig moeten worden voorbereid.

5.7. Ten slotte ziet de Raad ook geen grond voor de stelling, dat de korpsbeheerder te weinig rekening heeft gehouden met de spanningsklachten van appellant. Gegeven het werkgerelateerde karakter van deze klachten, en gegeven het feit, dat, zoals uit het deskundigenoordeel van de verzekeringsarts van 26 april 2006 blijkt, appellant zich op 17 april 2006 niet geschikt achtte om in zijn functie te hervatten, is, naar het oordeel van de Raad, de verplaatsing van appellant veeleer als een bijdrage aan de oplossing van de spanningsklachten te beschouwen.

5.8. Gelet op het vorenstaande concludeert de Raad dat het hoger beroep van appellant ongegrond is. De aangevallen uitspaak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 april 2009.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) K. Moaddine.

HD