Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI2505

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-04-2009
Datum publicatie
04-05-2009
Zaaknummer
07-4736 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling indicatie voor huishoudelijke verzorging op klasse 2 (2-3,9 uur per week). Geen contra-indicatie is voor het halen van boodschappen. Beoordelingen berusten op dossieronderzoek, huisbezoek en raadpleging van de behandelende sector. De Raad stelt verder vast dat de door appellante ingezonden medische stukken niet inhouden dat appellante tengevolge van haar medische beperkingen niet in staat is om de boodschappen en de was te doen. Geen gewenningstermijn nodig. Appellante heeft niet concreet en verifieerbaar aannemelijk gemaakt dat zij in de problemen is geraakt bij het afwikkelen van lopende contracten met zorgverleners.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4736 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 juni 2007, 06/3687 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellante

en

Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg, gevestigd te Driebergen, (hierna: CIZ).

Datum uitspraak: 8 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

CIZ heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld op de zitting van 8 oktober 2008. Appellante is niet verschenen. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Benedictus, werkzaam bij CIZ.

Omdat het onderzoek niet volledig was geweest, heeft de Raad besloten om het te heropenen.

Het geding is opnieuw behandeld op de zitting van 4 maart 2009. Appellante is daar verschenen. CIZ heeft zich wederom laten vertegenwoordigen door mr. Benedictus.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was geïndiceerd voor de functie huishoudelijke verzorging klasse 3 (4-6,9 uur per week). Deze indicatie was geldig voor de periode van 16 augustus 2003 tot en met 16 augustus 2005.

1.2. Appellante heeft op 25 april 2005 verlenging van de indicatie aangevraagd.

1.3. CIZ heeft de situatie van appellante herbeoordeeld op 13 juni 2005. De conclusie was dat appellante geïndiceerd is voor de functie huishoudelijke verzorging klasse 1 (0-1,9 uur per week).

1.4. CIZ heeft appellante bij brief van 4 juli 2005 in kennis gesteld van het besluit om de indicatie voor huishoudelijke verzorging voor de periode van 13 juni 2005 tot en met 12 juni 2006 vast te stellen op klasse 1 (0-1,9 uur per week).

1.5. Naar aanleiding van het door appellante gemaakte bezwaar, alsmede naar aanleiding van een aanvraag van 21 september 2006, heeft CIZ de situatie van appellante op 26 september 2006 opnieuw beoordeeld.

1.6. CIZ heeft het bezwaar van appellante bij besluit van 29 september 2006 gedeeltelijk gegrond verklaard. De indicatie voor huishoudelijke verzorging is voor de periode van 13 juni 2005 tot en met 12 juni 2007 nader vastgesteld op klasse 2 (2-3,9 uur per week). CIZ stelt zich op het standpunt dat er geen contra-indicatie is voor het halen van boodschappen. Voorts kan er voor het doen van de boodschappen een beroep worden gedaan op de boodschappenservice. Dit is een voorliggende voorziening.

2.1. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 september 2006 ongegrond verklaard. Overwogen is dat niet is gebleken dat een onjuiste maatstaf is aangelegd door appellante te indiceren voor huishoudelijke verzorging klasse 2. De rechtbank heeft de boodschappenservice aangemerkt als een gebruikelijke voorziening in de zin van het Protocol huishoudelijke verzorging en geoordeeld dat niet is gebleken dat appellante niet in staat is om gebruik te maken van deze voorziening. Dat appellante daarvan geen gebruik kan maken tijdens haar verblijf in het buitenland, doet daar, naar het oordeel van de rechtbank, niet aan af.

2.2. Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij wenst ingedeeld te worden in klasse 3. In het buitenland (Thailand, Sri Lanka), waar zij regelmatig verblijft, kan zij geen gebruik maken van de boodschappenservice. Voor het doen van de boodschappen moet daar tussen de 5 en 50 kilometer worden afgelegd. Bovendien is het doen van de was daar veel te zwaar voor haar, omdat deze geheel met de hand moet worden gedaan. Voorts heeft zij niet de tijd gekregen om zich in te stellen op de nieuwe situatie die ontstond door de verlaging van klasse 3 naar klasse 1. Dit had tot gevolg dat zij de hulpverleners in Thailand niet tijdig heeft kunnen betalen.

2.3. CIZ heeft in hoger beroep gepersisteerd bij haar standpunt dat appellante in de periode in geding was aangewezen op huishoudelijke verzorging klasse 2. Tevens is aangevoerd dat het hoger beroep te laat is ingediend.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. De Raad is, gezien de gedingstukken (waaronder de envelop met poststempel 31 juli 2007, waarin het hoger beroepschrift is verstuurd), van oordeel dat het hoger beroep van appellante op grens van artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht tijdig is ingediend. Hij kan derhalve aan een inhoudelijke beoordeling ervan toekomen.

3.2. De Raad stelt vast dat de indicatie van appellante berust op twee beoordelingen door CIZ. Deze beoordelingen hebben tot de conclusie geleid dat appellante niet op medische gronden beperkt is bij het doen van boodschappen en de was. Deze beoordelingen berusten op dossieronderzoek, huisbezoek en raadpleging van de behandelende sector. De Raad stelt verder vast dat de door appellante ingezonden medische stukken niet inhouden dat appellante tengevolge van haar medische beperkingen niet in staat is om de boodschappen en de was te doen. De Raad moet het er onder deze omstandigheden voor houden dat appellante niet buiten staat was om in de in geding zijnde periode zelf de boodschappen en de was te doen. De Raad merkt in dit verband nog op dat uit de gedingstukken blijkt dat appellante ruim 800 meter kan lopen, dat zij met de tram naar het kantoor van CIZ is gereisd en dat zij een boodschappenkar vol spullen bij zich had. Dit betekent, nu aanknopingspunten voor een ander oordeel ontbreken, dat appellante ten tijde in geding niet was aangewezen op een hogere indicatie voor huishoudelijke verzorging dan klasse 2.

3.3. Uit hetgeen onder 3.2 is overwogen vloeit voort dat de Raad niet toekomt aan een beoordeling van de grond dat appellante in het buitenland geen gebruik kan maken van de boodschappenservice.

3.4. De beroepsgrond dat appellante niet de tijd heeft gekregen om zich in te stellen op de nieuwe situatie treft evenmin doel. Uit het beoordelingsrapport van 13 juni 2005 blijkt dat appellante reeds op die datum in kennis is gesteld van de verlaging naar klasse 1. Appellante heeft niet concreet en verifieerbaar aannemelijk gemaakt dat zij daardoor in de problemen is geraakt bij het afwikkelen van lopende contracten met zorgverleners.

3.5. Uit hetgeen is overwogen onder 3.2 tot en met 3.4 vloeit voort dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 april 2009.

(get.) R.M. van Male.

(get.) J. Waasdorp.

OA