Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI2323

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2009
Datum publicatie
28-04-2009
Zaaknummer
07-7061 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Voldoende medische grondslag. De beperkingen van appellante zijn door een zorgvuldig medisch onderzoek niet onjuist zijn vastgesteld. Uit alle medische informatie zijn, naar het oordeel van de Raad, geen gegevens naar voren gekomen die aanleiding geven tot de conclusie dat appellante op de datum in geding meer beperkt was dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad ziet geen aanknopingspunten voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige. Door de bezwaararbeidsdeskundige is afdoende gemotiveerd dat de functies, wat betreft de daaraan verbonden belasting, binnen de mogelijkheden van appellante blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/7061 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 15 november 2007, 06-9200 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.P.J.M. van Gestel, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft appellante medische informatie in het geding gebracht.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met daarbij een rapportage van 19 februari 2008 van bezwaarverzekeringsarts M. Hoogeboom-Copier.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. Van Gestel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als huishoudelijke hulp/administratief medewerkster toen zij op 21 mei 2004 uitviel met nek- en schouderklachten.

1.2. De arts R. de Loo-Aykut heeft appellante op 7 maart 2006 onderzocht. In het rapport van dit onderzoek van dezelfde datum zijn onder andere de nek-, schouder-, onderarm-, rug en beenklachten beschreven. De arts heeft de mogelijkheden en beperkingen van appellante vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 21 maart 2006. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige M. van der Meer in een rapport van 7 april 2006 na functieduiding het verlies aan verdienvermogen berekend op 8,20%. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 8 mei 2006 geweigerd appellante met ingang van 19 mei 2006 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen.

2. In de bezwaarprocedure heeft bezwaarverzekeringsarts M. Hoogeboom-Copier op

22 juni 2006 gerapporteerd. Zij heeft na weging van het verhandelde ter hoorzitting, waarbij zij aanwezig was, en dossieronderzoek gemotiveerd aangegeven waarom er geen aanleiding bestaat om af te wijken van het medische oordeel van de primaire arts. Bezwaararbeidsdeskundige F.M.A. Havermans heeft opnieuw de geduide functies beoordeeld. Vervolgens verklaarde het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 mei 2006 bij zijn besluit van 22 augustus 2006 ongegrond.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 22 augustus 2006 (hierna: het bestreden besluit) gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven en beslissingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft de medische beoordeling door het Uwv onderschreven. Wat betreft het arbeidskundige aspect stelde de rechtbank vast dat het Uwv met de rapportages van 20 oktober 2006 en 12 februari 2007 van de bezwaararbeidsdeskundigen alsnog alle signaleringen in de geduide functies heeft gemotiveerd. Uit de rapportages bleek dat de geduide functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijden. Dit gebrek heeft het Uwv eerst na de beslissing op bezwaar hersteld.

4. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante in essentie dezelfde gronden als in bezwaar en eerste aanleg naar voren gebracht. Deze gronden komen erop neer dat appellante zich meer beperkt acht dan in de FML is weergegeven. Tevens heeft appellante gemotiveerd aangegeven waarom de geduide functies niet geschikt voor haar zijn. Ter zitting is verzocht om benoeming van een deskundige.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. De Raad is, net als de rechtbank, van oordeel dat de beperkingen van appellante door een zorgvuldig medisch onderzoek niet onjuist zijn vastgesteld. De arts die op 7 maart 2006 het primaire medische onderzoek heeft verricht, heeft appellante beperkt geacht in verband met haar nek- en schouderklachten. De FML bevat beperkingen in de rubrieken persoonlijk functioneren, aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden. Bezwaarverzekeringsarts Hoogeboom-Copier heeft, rekening houdende met het bezwaarschrift en de informatie uit de hoorzitting, de conclusie van De Loo-Aykut onderschreven. Uit alle medische informatie zijn, naar het oordeel van de Raad, geen gegevens naar voren gekomen die aanleiding geven tot de conclusie dat appellante op de datum in geding meer beperkt was dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad ziet geen aanknopingspunten voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige.

5.2.2. Ten aanzien van de door appellante ingezonden brieven van 25 januari 2006 en

7 januari 2008 van reumatoloog C. Mallée verenigt de Raad zich met hetgeen bezwaarverzekeringsarts Hoogeboom-Copier daarover in haar reactie van

19 februari 2008 heeft opgemerkt met betrekking tot de geclaimde beperkingen voor kou, vochtigheid en nattigheid. Dit betreft naar het oordeel van Hoogeboom-Copier een algemene stelling van de reumatoloog. Tevens is pijn geen maat voor het aannemen van beperkingen. De Raad kan zich hiermee verenigen, nu uit de brief van 7 januari 2008 geen nieuwe gegevens met betrekking tot de medische toestand van appellante ten tijde van de datum in geding blijken. De brief van de reumatoloog van 25 januari 2006 heeft de primaire arts reeds in haar beoordeling betrokken.

5.3.1. De Raad stelt vast dat de schatting berust op de functies parkeercontroleur

(sbc-code 342022), vleeswarenmaker, slachter en visverwerker (sbc-code 271070) en wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (sbc-code 267050).

5.3.2. Met betrekking tot de grond van appellante dat de functie van parkeercontroleur ongeschikt is omdat zij in deze functie te veel moet lopen overweegt de Raad als volgt. Appellante is door de (bezwaar)verzekeringsarts niet beperkt geacht met betrekking tot het item lopen. In de FML is ten aanzien van zowel het item lopen als het item lopen tijdens het werk een normaalwaarde gescoord. Tevens geeft appellante aan dat zij beperkt is met betrekking tot het aspect tillen en dat zij ongeveer 1 kilo kan tillen of dragen. De Raad merkt op dat appellante in de FML met betrekking tot het aspect frequent lichte voorwerpen hanteren tijdens het werk, sterk beperkt is. In de FML is op dit aspect aangegeven: sterkt beperkt, kan zo nodig tijdens elk uur van de werkdag ongeveer 50 keer voorwerpen van ruim 1 kg hanteren. In het resultaat functiebeoordeling is bij de functie van parkeercontroleur met betrekking tot het aspect tillen aangegeven: tijdens 8 werkuren 5 maal ongeveer 2 kilogram achtereen. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage van 17 augustus 2006 aangegeven dat in overleg met de bezwaarverzekeringsarts is vastgesteld dat de belastbaarheid niet wordt overschreden nu het tillen niet meer dan 5 keer per uur voorkomt. De Raad kan zich hiermee verenigen.

5.3.3. Ten aanzien van de functie vleeswarenmaker, slachter en visverwerker geeft appellante aan dat deze functie voor haar niet geschikt is aangezien deze functie uitgeoefend zal worden in een gekoelde ruimte. De Raad wil ook hier benadrukken dat appellante op het aspect koude in de FML niet beperkt is geacht. Uit het resultaat functiebeoordeling van de deelfunctie productiemedewerker pluimveeslachterij blijkt dat er gewerkt zal worden in een warme, vochtige, sterk ruikende productieruimte. De Raad is van oordeel dat hieruit niet afgeleid kan worden dat in deze functie gewerkt zal worden in een gekoelde ruimte. Met betrekking tot het aspect dat in deze functie 150 kippen per minuut geslacht worden en het feit dat appellante beperkt is met betrekking tot veelvuldige deadlines en productiepieken overweegt de Raad als volgt. Bij deze functie gaat het voor zeventig procent om een visuele controle en dertig procent om het uitvoeren van correcties. Nu het merendeel van de werkzaamheden een visuele controle betreffen is de Raad van oordeel dat er geen sprake is van veelvuldige deadlines en productiepieken.

5.3.4. Voorts overweegt de Raad dat door de bezwaararbeidsdeskundige in beroep afdoende is gemotiveerd dat de functies, wat betreft de daaraan verbonden belasting, binnen de mogelijkheden van appellante blijven.

6.1. Uit het overwogene in 5.2.1 tot en met 5.3.4 vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.2. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 april 2009.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) T.J. van der Torn.

TM