Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI2314

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2009
Datum publicatie
28-04-2009
Zaaknummer
06-6258 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. De raad schakelt een deskundige in om zich omtrent in het bijzonder de psychische gezondheidstoestand van appellante te laten voorlichten. De rechtbank heeft ten onrechte de medische grondslag van het bestreden besluit heeft aanvaard. In de FML is ten onrechte geen beperking opgenomen ten aanzien van het aspect concentreren. Daarin had vermeld moeten worden dat appellante niet geschikt is voor solitair te verrichten werkzaamheden. In zoverre is de medische belastbaarheid van appellante bij het bestreden besluit overschat. Dit besluit komt deswege met de aangevallen uitspraak waarbij dit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking. Rechtsgevolgen blijven in stand. Eerst in hoger beroep een afdoende medische en arbeidskundige onderbouwing van de arbeidsongeschiktheidschatting gegeven. Proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6258 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 september 2006, 05/3254

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.H.J. van Geffen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben over en weer nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2008. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde mr. Van Geffen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma.

Omdat het onderzoek niet volledig werd geacht, heeft de Raad dit heropend.

Op verzoek van de Raad heeft psychiater dr. H.N. Sno te Zaandam bij rapport van

17 december 2008 van verslag en advies gediend omtrent de gezondheidstoestand van appellante en haar mogelijkheden om arbeid te verrichten.

Het Uwv heeft op dit rapport bij brief van 25 februari 2009 gereageerd onder toezending van een commentaar van de bezwaarverzekeringsarts P. van Zalinge en een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige J.G. Grothe.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 13 maart 2009. Appellante is verschenen als ter zitting van 8 augustus 2008. Het Uwv heeft zich, met schriftelijke kennisgeving, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent, gelet op de gedingstukken met juistheid, in de aangevallen uitspraak heeft weergegeven. De Raad volstaat met de vermelding dat het Uwv bij besluit van 11 april 2005 de eerder aan appellante naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% verleende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 8 juni 2005 heeft ingetrokken, op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedraagt.Bij het thans bestreden op bezwaar genomen besluit van 9 november 2005 heeft het Uwv de intrekking van de WAO-uitkering van appellante gehandhaafd.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust, nu niet aannemelijk is gemaakt dat het Uwv de medische beperkingen van appellante onjuist heeft vastgesteld. Het verzoek van appellante om onderzoek naar haar arbeidsbeperkingen te laten doen door een psycholoog heeft de rechtbank afgewezen, omdat zij daarvoor geen aanleiding zag.

2.2. Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de arbeidsongeschiktheidsschatting heeft de rechtbank overwogen dat in ieder geval drie (geschikt te achten) functies resteren die aan de schatting ten grondslag konden worden gelegd en dat die ieder voldoende arbeidsplaatsen vertegenwoordigen. Met inachtneming van het loon dat met de werkzaamheden in deze functies kan worden verdiend en het maatmaninkomen zoals dit door de arbeidsdeskundige was berekend, heeft de rechtbank geoordeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht op minder dan 15% is vastgesteld. Daarop is het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. Het hoger beroep van appellante is gericht op het oordeel van de rechtbank in zijn beide aspecten.

3.2.1. Ten aanzien van de medische kant van de schatting heeft appellante aangevoerd dat de betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen de psychische klachten van appellante hebben onderschat, omdat zij zijn uitgegaan van een bij haar aanwezige angststoornis, terwijl in een brief van 29 augustus 2005 van de psycholoog M.L. Sluijs, verbonden aan AMC De Meren waar appellante onder behandeling was, ook wordt gesproken van een depressie met psychotische kenmerken. Voorts heeft appellante een brief van 18 augustus 2006 van deze psycholoog ingezonden, waarin melding wordt gemaakt van een bij appellante gediagnosticeerde angststoornis en een depressieve stoornis en de mogelijkheid wordt geopperd dat appellante zwakbegaafd is. In deze brief is aangegeven dat nader onderzoek naar een voor appellante geschikte therapie nodig is. Ten slotte heeft appellante, naast informatie over aan haar toegekende zogeheten ondersteunende en activerende begeleiding, een brief van 21 juli 2008 van de psycholoog Sluijs ingezonden, waarin wordt gemeld dat het intellectuele niveau van appellante zodanig laag is, dat rekening moet worden gehouden met beperkingen in het functioneren op het gebied van algemene dagelijkse vaardigheden en werk. De bezwaarverzekeringsarts P.M. Cramer heeft bij rapport van 31 juli 2008 te kennen gegeven hierin geen aanleiding te vinden om op medische gronden tot een andere beslissing te komen.

3.2.2. Gelet op de voornoemde informatie en het verhandelde ter zitting, waar namens appellante opnieuw is aangedrongen op onderzoek door een deskundige, heeft de Raad het raadzaam geacht zich nader omtrent in het bijzonder de psychische gezondheidstoestand van appellante te laten voorlichten. Aan psychiater dr. H.N. Sno is verzocht in de hoedanigheid van deskundige van verslag en advies te dienen, aan welk verzoek hij bij rapport van 17 december 2008 heeft voldaan.

3.2.3. De deskundige Sno is bij zijn rapport tot de conclusie gekomen dat het op basis van poliklinisch onderzoek niet mogelijk is om een duidelijk beeld te krijgen van de psychiatrische stoornis, waarop appellantes klachten gebaseerd zouden zijn. De diagnostische gevolgtrekkingen dienen als voorlopige conclusies te worden beschouwd. Voor meer zekerheid omtrent de psychiatrische diagnose acht de deskundige een klinische observatie periode onontbeerlijk.

3.2.4. Ter zitting is namens appellante gemeld dat zij onoverkomelijke bezwaren heeft tegen een klinische observatie zoals deze door de deskundige noodzakelijk wordt geacht. Enerzijds beletten haar angstklachten deelname aan een dergelijke opname en anderzijds staat de zorg voor een dochter van 14 jaar door appellante als alleenstaande moeder aan een eventuele opname in de weg.

3.2.5. De Raad maakt hieruit de gevolgtrekking dat dit onderzoek binnen het kader van dit geding niet mogelijk is. Mede gelet op de omstandigheid dat de bezwaarverzekeringsarts P. van Zalinge zich kan verenigen met de door de deskundige Sno aangebrachte wijzigingen in de door de verzekeringsarts vastgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), acht de Raad het in overweging 3.2.3. vermelde voorbehoud dat de deskundige Sno heeft gemaakt niet van zodanig gewicht dat zijn rapport niet aan het oordeel van de Raad ten grondslag kan worden gelegd.

3.2.6. In het vorenoverwogene ligt al besloten dat de Raad geen gehoor geeft aan het verzoek van appellantes gemachtigde ter zitting om aanvullend onderzoek door een psycholoog te laten verrichten. Onvoldoende duidelijk is welke meerwaarde een dergelijk onderzoek zou hebben bij het licht van de voorhanden zijnde gegevens van medische en andere aard, waaronder die van de behandelend psycholoog Sluijs.

3.3. Gelet op het rapport van de deskundige Sno en het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts Van Zalinge komt de Raad tot het oordeel dat de rechtbank ten onrechte de medische grondslag van het bestreden besluit heeft aanvaard. In de FML is ten onrechte geen beperking opgenomen ten aanzien van het aspect concentreren. Voorts had daarin moeten worden vermeld dat appellante niet geschikt is voor solitair te verrichten werkzaamheden. In zoverre is de medische belastbaarheid van appellante bij het bestreden besluit overschat. Dit besluit komt deswege met de aangevallen uitspraak waarbij dit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking.

3.4. De Raad ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten gelet op hetgeen de Raad hierna met betrekking tot de arbeidskundige kant van de schatting nog zal overwegen.

3.4.1. Naar aanleiding van de in hoger beroep bij brief van 25 juli 2008 door appellante geuite kritiek op de geschiktheid van de aan haar door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies heeft de bezwaararbeidsdeskundige E.F. Couvrier bij rapport van 1 augustus 2008 een toelichting verstrekt. Bij dit rapport is onder meer ingegaan op de door de rechtbank verworpen functie van medewerkster tuinbouw (SBC-code 111010), omdat niet was toegelicht of de in deze functie voorkomende belasting bij reiken in overeenstemming was met de belastbaarheid van appellante. De bezwaararbeidsdeskundige heeft erop gewezen dat een eventuele overschrijding van de reikafstand door appellante kan worden voorkomen door het bovenlichaam tien graden te buigen of te torderen. Nu appellante ten aanzien van deze aspecten in de FML niet beperkt is, acht de Raad de geschiktheid van deze functie hiermee voldoende aannemelijk gemaakt. Daarbij heeft de Raad mede in aanmerking genomen dat de bezwaararbeidsdeskundige aangegeven heeft rekening te hebben gehouden met de omstandigheid dat appellante een normaal postuur heeft.

3.4.2. De bezwaararbeidsdeskundige is bij zijn rapport voorts ingegaan op de in de functie van wikkelaar (SBC-code 267050) voorkomende lasdampen en in de functie van montagemedewerker (SBC-code 111180) voorkomende soldeer- en lijmdampen. De bezwaararbeidsdeskundige heeft blijkens zijn rapport deze belasting met de bezwaarverzekeringsarts P.M. Cramer besproken en is in samenspraak met hem tot de conclusie gekomen dat deze functies daardoor niet ongeschikt zijn voor appellante. Mede gelet op de omstandigheid dat appellante vanwege haar astmatische klachten door de verzekeringsarts alleen beperkt wordt geacht voor werken in stoffige ruimtes, ziet de Raad geen aanleiding de conclusie van de bezwaararbeidsdeskundige niet te volgen.

3.4.3. De bezwaararbeidsdeskundige J.G. Grothe heeft bij zijn rapport van 25 februari 2009 gemotiveerd geconcludeerd dat de geduide functies met inachtneming van de door de deskundige Sno aangegeven wijzigingen in de FML nog steeds geschikt zijn te achten.

3.4.4. Ter zitting heeft appellantes gemachtigde aangevoerd dat bij de geduide functies van inpakster koekjes (SBC-code 111190), kwekerij medewerkster (SBC-code 111010) en productiemedewerkster kunstofverpakkingen (SBC-code 271092) sprake is van werk aan de lopende band, waarbij grote aantallen moeten worden verwerkt. De lopende band geeft het werktempo aan. Hoewel de deskundige Sno geen beperking ten aanzien van handelingstempo aangeeft, geeft hij, aldus appellantes gemachtigde, in de verwoording psychische belastbaarheid wel aan dat appellante beperkt is ten aanzien van tijdsdruk (in staat tot werk met lage tijdsdruk, de taken zijn in rustig tempo gemakkelijk te doen). De Raad volgt appellantes gemachtigde hierin niet. In de door de deskundige Sno opgestelde FML gaat hij in rubriek I onder punt 9 in op de specifieke voorwaarden voor het functioneren van appellante in arbeid. Daaraan valt te ontlenen dat appellante aangewezen is op een voorspelbare werksituatie en dat het werk moet betreffen zonder veelvuldige deadlines of productiepieken. Een beperking in handelingstempo is niet aangegeven. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich hiermee kunnen verenigen. De bezwaararbeidsdeskundige Grothe was blijkens zijn rapport met deze beperkingen bekend en heeft bij de beoordeling van de geschiktheid van de functies daarmee ook rekening gehouden.

3.4.5. Appellantes gemachtigde heeft voorts aangevoerd dat de werkzaamheden in de functies kwekerijmedewerkster (SBC-code 111010), productiemedewerkster kunststofverpakkingen (SBC-code 271092), operator A (SBC-code 268050) en lederwarenmaakster/monteuse (SBC-code 272060) voor een niet onaanzienlijk deel bestaan uit controletaken, hetgeen impliceert dat sprake is van een zekere verantwoordelijkheid. Zij heeft erop gewezen dat de deskundige Sno appellante in staat acht tot werk met lage verantwoordelijkheid. Dienaangaande overweegt de Raad dat aan de functiebeschrijvingen van de betrokken functies valt te ontlenen dat het gaat om werkzaamheden met geen dan wel een minimale persoonlijke invulling, zodat hieraan wordt voldaan.

3.4.6. De Raad deelt de opvatting van appellantes gemachtigde niet dat de bezwaararbeidsdeskundige Grothe geen aandacht heeft besteed aan de in de functie van wikkelaar (SBC-code 267050) gevraagde grote mate van concentratie. Dienaangaande vermeldt de bezwaararbeidsdeskundige dat concentreren op een informatiebron (handboek o.i.d.) in deze functie niet voorkomt en dat met opdrachtbonnen wordt gewerkt, waarbij het opnemen van informatie enkele minuten kost. Ook al zou dit voor appellante te bezwaarlijk moeten worden geacht en zou om die reden deze functie niet geschikt zijn dan blijven er gelet op het hiervoor overwogene voldoende geschikte functies met voldoende arbeidsplaatsen over om de schatting te dragen.

4. Nu eerst in hoger beroep een afdoende medische en arbeidskundige onderbouwing van de arbeidsongeschiktheidschatting is verkregen ziet de Raad aanleiding het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 805,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 1449,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier, uitgesproken in het openbaar op 24 april 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.L. de Gier.

KR