Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI2249

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2009
Datum publicatie
04-05-2009
Zaaknummer
08-1086 WUV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening eerder genomen rechtensonaantastbare besluit inhoudende weigering WUV-uitkering aangezien geen sprake is van vervolging in de zin van de Wet en evenmin appellante voldoet aan de ingevolge de Wet geldende eisen van nationaliteit en territorialiteit. Er zijn geen nieuwe gegevens of feiten aangevoerd. Weigering van verweerster om appellante met de vervolgde gelijk te stellen berust op goede gronden Geen sprake van door artikel 26 IVBPR verboden ongelijke behandeling van gelijke gevallen, aangezien de situatie van diegenen die vervolging hebben ondergaan als omschreven in de Wet (en beschikten over de Nederlandse nationaliteit) zich wezenlijk onderscheidt van de situatie van diegenen die niet aan vervolging hebben blootgestaan (en ook niet beschikten over de Nederlandse nationaliteit).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1086 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (Indonesië) (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 16 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening

12 november 2007, kenmerk BZ 47266, JZ/E60/2007, ten aanzien van appellante genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2009. Daar is namens appellante verschenen [naam R.T.], wonende te [plaatsnaam], en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1941 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in maart 2002 bij verweerster een aanvraag ingediend om op grond van de Wet in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering. Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 6 september 2002 op de grond dat het kamp waar appellante heeft verbleven (te weten de Kaderschool Magelang) dient te worden aangemerkt als een opvangkamp zodat het verblijf aldaar niet kan worden beschouwd als vervolging in de zin van de Wet. Verder is overwogen dat appellante evenmin voldoet aan de ingevolge de Wet geldende eisen van nationaliteit en territorialiteit. Tegen het besluit van 6 september 2002 heeft appellante geen bezwaar gemaakt zodat dit besluit tussen partijen rechtens verbindend is geworden.

1.2. In mei 2007 heeft appellante verweerster verzocht het onder 1.1 genoemde besluit te herzien, waarbij zij tevens heeft verzocht om gelijkstelling met de vervolgde in de zin van de Wet aangezien haar vader in 1942 is overleden.

1.3. Bij besluit van 26 juni 2007, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit heeft verweerster dat verzoek afgewezen op de grond dat er geen relevante feiten of gegevens zijn vermeld die aanleiding geven het onder 1.1 genoemde besluit te herzien. Daarbij is overwogen dat nu vaststaat dat appellante geen vervolging heeft ondergaan en voorts niet voldoet aan de eisen van nationaliteit en woonplaats, zij om die reden al niet met de vervolgde kan worden gelijksgesteld.

2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

2.1. Op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door een belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat verweerster een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dat brengt met zich dat de Raad het besluit slechts terughoudend kan toetsen.

2.2. Bij een verzoek om herziening als waarvan hier sprake is, staat centraal de vraag of appellante bij haar verzoek om herziening dan wel in bezwaar nieuwe gegevens of feiten heeft aangevoerd die verweerster bij de besluitvorming over de eerste aanvraag niet bekend waren en waarin verweerster aanleiding had moeten vinden om het eerder genomen besluit te herzien. Van dergelijke gegevens is de Raad, evenals verweerster, niet gebleken.

2.3. De Raad moet vaststellen dat appellante bij het onderhavige herzieningsverzoek en in bezwaar tegen het besluit op dat verzoek in wezen heeft herhaald hetgeen zij reeds ter ondersteuning van haar eerdere aanvraag had aangevoerd. Appellante heeft haar herzieningsverzoek ook niet vergezeld doen gaan van gegevens die aan verweerster bij het nemen van haar besluit over de eerdere aanvraag niet bekend waren en dat besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden om, onder herziening van dat besluit, alsnog te aanvaarden dat appellante vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan en heeft beschikt over de Nederlandse nationaliteit. Namens appellante is ter zitting nog gewezen op de omstandigheid dat haar zuster wel beschikt over een Nederlands paspoort, maar dat gegeven - in het midden latend onder welke omstandigheden dat is gebeurd - doet naar het oordeel van de Raad aan het voorgaande niets af.

2.4. Nu vaststaat dat appellante geen vervolging in de zin van artikel 2 van de Wet heeft ondergaan en tevens vaststaat dat zij niet voldoet aan het vereiste van nationaliteit als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet is de Raad van oordeel dat de weigering van verweerster om appellante onder toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen op goede gronden berust.

2.5.1. Voor zover namens appellante in beroep en tijdens de behandeling ter zitting uitgebreid een beroep is gedaan op artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en is gesteld dat de Wet een ongerechtvaardigd onderscheid maakt naar ras (en nationaliteit), merkt de Raad het volgende op.

2.5.2. Met de totstandkoming van de Wet heeft de wetgever vanuit een bijzondere solidariteitsplicht beoogd om (financiële) compensatie te bieden aan personen die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in Nederland en het voormalige Nederlands-Indië vervolging hebben ondergaan als in de Wet omschreven, dat wil zeggen van hun vrijheid zijn beroofd door opsluiting in plaatsen waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking werd beoogd dan wel, om aan die vrijheidsberoving te ontkomen, sterilisatie hebben ondergaan dan wel hebben moeten onderduiken. Dat appellante, die een dergelijke vervolging niet heeft ondergaan en bovendien niet heeft beschikt over de Nederlandse nationaliteit, geen beroep kan doen op de Wet, is naar het oordeel van de Raad een direct gevolg van de door de wetgever gemaakte keuzes. De Raad is voorts van oordeel dat deze keuzes geen door artikel 26 IVBPR verboden ongelijke behandeling van gelijke gevallen betreft, aangezien de situatie van diegenen die vervolging hebben ondergaan als omschreven in de Wet (en beschikten over de Nederlandse nationaliteit) zich wezenlijk onderscheidt van de situatie van diegenen die niet aan vervolging hebben blootgestaan (en ook niet beschikten over de Nederlandse nationaliteit).

3. Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit in rechte kan standhouden.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 april 2009.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) I. Mos.

HD