Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI2243

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2009
Datum publicatie
27-04-2009
Zaaknummer
08-425 WUV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om erkenning als vervolgde in de zin van de Wet en om toekenning van, onder meer, een periodieke uitkering. Appellant heeft geen vervolging als bedoeld in artikel 2 van de Wet ondergaan nu hij tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië niet geïnterneerd is geweest. Op grond van de voorhanden gegevens - waaronder gegevens over de ouders van appellant - heeft ook de Raad niet kunnen vaststellen dat appellant tijdens de bezettings-jaren vrijheidsberoving in voormelde zin heeft ondergaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/425 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 16 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 20 december 2007, kenmerk BZ 47364 JZ/W60/2007, door verweerster ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2009. Appellant is daar niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. In oktober 2006 heeft appellant, geboren in oktober 1944 in het voormalige Nederlands-Indië, bij verweerster een aanvraag ingediend om erkenning als vervolgde in de zin van de Wet en om toekenning van, onder meer, een periodieke uitkering.

1.2. Bij besluit van 23 augustus 2007, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster deze aanvraag afgewezen op de grond, samengevat, dat appellant geen vervolging als bedoeld in artikel 2 van de Wet heeft ondergaan nu hij tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië niet geïnterneerd is geweest.

1.3. In bezwaar en beroep heeft appellant aangevoerd, in de kern, dat de gevolgen van de Japanse bezetting voor hem en zijn familie zo schrijnend zijn (geweest) dat in redelijkheid niet kan worden vastgehouden aan de formele criteria van de Wet.

2. De Raad dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hiertoe wordt overwogen als volgt.

2.1. Blijkens artikel 2 van de Wet wordt - samengevat en voor zover hier van belang - onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen door of namens de vijandelijke bezettende macht, gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras dan wel hun Europese afkomst of Europees georiënteerde instelling, geloof, wereldbeschouwing of homoseksualiteit, welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd.

2.2. Op grond van de voorhanden gegevens - waaronder gegevens over de ouders van appellant - heeft ook de Raad niet kunnen vaststellen dat appellant tijdens de bezettings-jaren vrijheidsberoving in voormelde zin heeft ondergaan. Uit die gegevens komt niet meer of anders naar voren dan dat appellant met zijn moeder en zus tot het het einde van de oorlog heeft verbleven in Tandjoengbalei Asahan, welke verblijfplaats blijkens daarover voorhanden historische gegevens alleen van 23 maart 1942 tot 12 februari 1943 als interneringskamp in gebruik is geweest. Hiermee valt appellant, hoezeer ook de door hem aangevoerde omstandigheden invoelbaar zijn, buiten het toepassingsbereik van de Wet. Verweerster is, evenmin als de Raad, niet bevoegd om te treden buiten de grenzen die de wetgever in artikel 2 van de Wet heeft gesteld.

3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond bestaat, zodat dit besluit in rechte kan standhouden en het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.

4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 april 2009.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) I. Mos.

HD