Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI2240

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2009
Datum publicatie
27-04-2009
Zaaknummer
08-95 WUV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering WUV-uitkering toe te kennen. Geen sprake van vervolging in de zin van de Wet. Appellante heeft geen vrijheidsberoving in de zin van de Wet ondergaan. Met verweerster is de Raad van oordeel dat de door appellante genoemde zware leefomstandigheden tijdens de Japanse bezetting van het gezin waartoe appellante behoorde en het door appellante moeten schuilen voor Japanners die haar lastig vielen niet kunnen worden aangemerkt als omstandigheden als hiervoor, aangezien deze gebeurtenissen geen overeenkomst vertonen met wat op grond van de Wet dient te worden verstaan met vervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/95 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (Indonesië) (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 2 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 18 oktober 2007, kenmerk BZ 47331, JZ/Q60/2007, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2009. Daar is appellante niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Blijkens de gedingstukken heeft appellante, geboren in 1923 in het voormalige Nederlands-Indië, in februari 2007 bij verweerster een aanvraag ingediend om haar op grond van de Wet een periodieke uitkering toe te kennen.

1.1. Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 4 juli 2007, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat appellante geen vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan en voorts niet met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde kan worden gelijkgesteld.

2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

2.1. In artikel 2 van de Wet is bepaald dat, voor zover hier van belang, onder vervolging wordt verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, welke werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling en welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratie-kampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd.

2.2. Op grond van de onderhavige stukken stelt de Raad vast dat appellante geen vrijheidsberoving in de zin van de Wet heeft ondergaan. Dit wordt door appellante ook niet betwist.

2.3. Met betrekking tot verweersters weigering om appellante met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen, overweegt de Raad als volgt.

2.4. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd de persoon die vervolging heeft ondergaan, maar niet voldoet aan de vereisten bedoeld in het eerste lid van artikel 3 van de Wet, dan wel de persoon die voldoet aan de vereisten van even-vermeld eerste lid en tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke overeenkomsten vertonen met vervolging, met de vervolgde gelijk te stellen indien het niet toepassen van de Wet ten aanzien van deze persoon een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.

2.5. Met verweerster is de Raad van oordeel dat de door appellante genoemde zware leefomstandigheden tijdens de Japanse bezetting van het gezin waartoe appellante behoorde en het door appellante moeten schuilen voor Japanners die haar lastig vielen niet kunnen worden aangemerkt als omstandigheden als hiervoor, aangezien deze gebeurtenissen geen overeenkomst vertonen met wat op grond van de Wet dient te worden verstaan met vervolging. Nu tevens vaststaat dat appellante niet voldoet aan de vereisten van nationaliteit en woonplaats als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet, heeft verweerster naar het oordeel van de Raad terecht geen aanleiding gezien appellante onder toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen.

3. Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.

4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 april 2009.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) I. Mos.

HD