Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI2197

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2009
Datum publicatie
04-05-2009
Zaaknummer
07-5957 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. Niet genoegzaam voldaan aan onderzoeksplicht. Het college was daarom niet bevoegd appellant wegens ziekte te ontslaan. Het college zal, alvorens opnieuw tot ontslag te kunnen overgaan, alsnog een deugdelijk herplaatsingsonderzoek moeten verrichten. Zo’n onderzoek zal zich in beginsel moeten uitstrekken over een periode van (ten minste) zes maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5957 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 september 2007, 05/3392 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ouder-Amstel (hierna: college)

Datum uitspraak: 2 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. D. Maats, advocaat te Amsterdam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.H.M. Wesseling, advocaat te ’s-Gravenhage, en K.A.M. van der Kaaden, werkzaam bij de gemeente Ouder-Amstel.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was bij de gemeente Ouder-Amstel werkzaam in de functie van [naam functie]. Op 16 oktober 2000 heeft hij zich ziek gemeld. Nadien heeft hij zijn werk-zaamheden anders dan op basis van arbeidstherapie niet meer hervat.

1.2. Bij besluit van 11 december 2002 is appellant met ingang van 15 oktober 2001 (alsnog) een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant bij besluit van 23 april 2003 onveranderd vastgesteld op 80 tot 100%.

1.3. Bij besluit van 3 februari 2004 heeft het college appellant met toepassing van artikel 8:5 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst voor de sector gemeenten (CAR/UWO) ingaande 4 februari 2004 ontslag uit zijn functie van bijstandsconsulent verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte.

Bij besluit van 14 juli 2004 heeft het college het bezwaar van appellant tegen dit ontslagbesluit gegrond verklaard en dit besluit herroepen omdat ten onrechte geen herplaatsingsonderzoek was gehouden als bedoeld in artikel 8:5, tweede lid, onder c, van de CAR/UWO. Op verzoek van het college heeft Salto Reïntegratie te Amsterdam (hierna: Salto) een arbeidskundig onderzoek ingesteld naar de mogelijkheden van werk-hervatting voor appellant in aangepast eigen werk of ander passend werk bij de eigen werkgever. Vervolgens heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) bij brief van 14 december 2004 desgevraagd aan het college een functie-ongeschiktheids-advies uitgebracht dat inhoudt dat appellant op de voorgenomen ontslagdatum 1 december 2004 voor zijn functie van bijstandsconsulent twee jaar arbeidsongeschikt werd geacht wegens ziekte of gebrek en dat naar verwachting ook nog zes maanden daarna zal blijven. Bij besluit van 27 januari 2005 heeft het college appellant hierop ingaande 1 februari 2005 met toepassing van artikel 8:5 van de CAR/UWO ontslag verleend. Bij het bestreden besluit van 31 mei 2005 heeft het college dit ontslagbesluit na daartegen door appellant gemaakt bezwaar gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. In het rapport van Salto van 30 augustus 2004 is voor de beoordeling van de arbeidsmogelijkheden van appellant uitgegaan van de medische beperkingen zoals op

27 augustus 2001 door de verzekeringsarts van het Uwv voor appellant zijn vastgesteld in het kader van de WAO-beoordeling. Appellant heeft aangevoerd dat dit onjuist is omdat die beperkingen niet meer actueel waren. In dit verband merkt de Raad op dat appellant in 2004 aan het college heeft kenbaar gemaakt dat zijn gezondheidstoestand duidelijk was verbeterd. Mede gelet hierop kon naar het oordeel van de Raad voor de beoordeling van de arbeidsmogelijkheden van appellant in 2004 niet zonder meer worden afgegaan op de in augustus 2001 vastgestelde beperkingen. Voor die beoordeling kon een medisch oordeel over de vraag of in de medische beperkingen van appellant sedert augustus 2001 een wijziging was opgetreden, niet worden gemist. Nu zo’n medisch oordeel in dit geval niet is ingewonnen, acht de Raad het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen. Overigens merkt de Raad nog op dat niet is gebleken dat door de verzekeringsarts bij de herbeoordeling op grond van de WAO in 2003 hetzelfde beperkingenpatroon is gehanteerd als in 2001.

3.2. Ook in ander opzicht is naar het oordeel van de Raad bij het nemen van het bestreden besluit niet met de nodige zorgvuldigheid te werk gegaan. Daartoe wordt het volgende overwogen. In het aan het ontslag ten grondslag liggende rapport van Salto is grote betekenis gehecht aan de WAO-beoordeling in 2001 waaruit naar voren kwam dat appellant weliswaar over duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden beschikte, maar dat onvoldoende voor appellant passende functies konden worden gevonden om een schatting in de zin van de WAO op te baseren. Gezien deze uitkomst is kennelijk in het rapport van Salto het standpunt ingenomen dat functies op niveau 4 en 5 (het niveau van de functie van appellant) als niet voor appellant passend beschouwd moeten worden. Over functies op niveau 2 en 3 “binnen de gemeentelijke sectoren” is in het rapport opgemerkt dat dit vooral functies betreft waarbij het accent ligt op fysieke belasting of kortcyclische handelingen. Deze vormen voor appellant geen reële mogelijkheid, aldus dit rapport. De reactie van Salto van 19 januari 2005 op de zienswijze van appellant van 14 januari 2005 over het ontslagvoornemen getuigt niet van een andere benadering. De Raad overweegt hieromtrent dat, voor zover uit de gedingstukken kan blijken, bij de WAO-beoordeling in 2001 onvoldoende functies waren aan te wijzen om de schatting op te baseren en zich dus niet de situatie voordeed dat geen enkele voor appellant passende functie kon worden gevonden. Reeds hierom kan er niet op de in het rapport van Salto aangegeven grond van worden uitgegaan dat geen functies op niveau 4 en 5 binnen de gemeente voorhanden waren, waarop appellant kon worden geplaatst. Dit spreekt te meer nu de functies bij de gemeente op deze niveaus andere zijn dan die welke bij de WAO-beoordeling aan de orde waren. Nog daargelaten dat mogelijk niet de juiste medische beperkingen zijn aange-houden, is de Raad er voorts door meergenoemd rapport niet van overtuigd geraakt dat appellant niet in staat is een functie op lager niveau te vervullen; er zijn immers geen concrete functies met inachtneming van de precieze daarbij horende belastingen in beschouwing genomen.

3.3. Gelet hierop komt de Raad tot de conclusie dat het college niet genoegzaam heeft voldaan aan zijn in artikel 8:5, tweede lid, onder c, van de CAR/UWO vervatte onder-zoeksplicht. Het college was daarom niet bevoegd appellant wegens ziekte te ontslaan. Het college zal, alvorens opnieuw tot ontslag te kunnen overgaan, alsnog een deugdelijk herplaatsingsonderzoek moeten verrichten. Zo’n onderzoek zal zich in beginsel moeten uitstrekken over een periode van (ten minste) zes maanden.

3.4. Hieruit volgt dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak evenals het bestreden besluit dat daarbij in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking komen. De Raad ziet voorts aanleiding het primaire ontslagbesluit van 27 januari 2005 op de voet van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te herroepen.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding het college op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-. Van in eerste aanleg gemaakte proceskosten is niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Herroept het besluit van 27 januari 2005;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de gemeente Ouder-Amstel;

Bepaalt dat de gemeente Ouder-Amstel aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 352,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 april 2009.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) K. Moaddine.

HD